Ik liep de marathon van Noord-Korea

Het is 12 april iets na half negen ’s ochtends als zevenhonderd uitzinnige westerlingen door de straten van Pyongyang, Noord-Korea, rennen. Een uur eerder zijn ze onthaald door 15.000 synchroon klappende mensen. Die zijn in alle vroegte naar het Kim-il Sung-stadion gekomen. Het publiek, dat volgens de staatsmedia de onovertroffen eer ten deel gevallen is hier vandaag te mogen zitten, geeft de lopers voor het startschot een demonstratie van eensgezinde gehoorzaamheid.

Elk vak wordt begeleid door een man die als een dirigent instrueert hoe men dient te klappen. Dat gaat zo: iedereen heeft met een elastiekje op beide handen een aluminium plankje vastgezet, waardoor er een schel getik ontstaat als die twee tegen elkaar aan worden geslagen. Het is klappen en op gebaar stoppen. Wie het snelst stil is, krijgt een ruiterlijke duim omhoog van de dirigent. De mensen hebben er lol in, niemand valt uit de toon. Zo zal het nog vijf uur doorgaan. Vandaar die plankjes.

De zevenhonderd hardlopers zijn van over de hele wereld het land binnengevlogen, per decennia oude Russische Antonov, midden in de nacht, om in de Democratische Volksrepubliek Korea (DPRK) tien kilometer, een halve marathon of een marathon te lopen ter viering van de Dag van de Zon, de 104de geboortedag van de Eeuwige President Kim il-Sung. Vorig jaar, toen de marathon voor het eerst werd opengesteld voor amateurs uit het Westen, liepen er slechts tweehonderd westerlingen mee. Waar je niet mag, daar kom je graag, kennelijk. De Amerikanen, met wie Noord-Korea sinds 1950 formeel in staat van oorlog verkeert, zijn oververtegenwoordigd.

In de binnenstad van Pyongyang is een ronde van tien kilometer uitgezet, die de lopers voert van het stadion langs de grootste universiteit van de dictatuur (vernoemd, uiteraard, naar de Eeuwige President Kim il-Sung), en twee keer over de rivier Deadong. De renners lopen de ronde vier keer. Het gaat over wegen en door tunnels die namen dragen als ‘glorie’, ‘triomf’ en ‘wederopbouw van de staat’ – zo heten ook de metrostations van Pyongyang. Slechts twee ervan zijn toegankelijk voor toeristen. Gezegd wordt dat de diepste metrolijn ter wereld naast vervoersmiddel ook dient als schuilplaats in geval er oorlog uitbreekt. Maar gids Yong, moeder van twee zoons die beiden niets liever willen dan bij het leger gaan, wuift dat weg: „De metro is zo diep vanwege het klimaat: in de winter is het er aangenaam warm, in de zomer lekker koel.”

Langs het parcours zie je een stad die groots is opgezet, en veelal is opgetrokken uit grauwe betonblokken. Je moet blind zijn om niet te zien om wie het draait in Noord-Korea: op het uitgestrekte People’ s Square bijvoorbeeld, vergelijkbaar met dat van Beijing, kijken de twee overleden Kims hun volk als goden aan, superieur glimlachend. Op elke straathoek, bovenop elk belangrijk gebouw, in musea, in winkels, boven de kaptafel van het nauwelijks te ontwaren kapperszaakje: overal kijken de leiders op de Noord-Koreanen neer.

Er hangt voortdurend een dun vlies mist in de lucht, afkomstig van de enorme kolencentrales die in een druk gedeelte aan de rand van Pyongyang staan. Niemand draagt er een mondkapje, al doen de de giftige dampen het zonlicht aanzienlijk in kracht afnemen.

Het is muisstil in deze stad van drie miljoen inwoners. Geroezemoes, dat hoor je, en gefluister – maar geen orkesten, muziek of feestvierende mensen, zoals bij andere marathons. Auto’s rijden er haast niet over de avenues zo breed als die van Parijs. Men beweegt zich te voet, vaak in groepen van tientallen en soms met duizenden tegelijk. In rijen van twee, die zich meters en meters uitstrekken over het trottoir. Soms worden de groepen aangevoerd door soldaten.

Zwarte lopers ontbreken

De Noord-Koreaanse deelnemers rennen een aparte wedstrijd. Ze gaan een uur later van start. Het lijken professionals. Geen van de lopers is ouder dan dertig, en het overgrote deel lijkt nog tiener.

Zwarte lopers ontbreken bij deze editie van de Mangyongdae Price Marathon. Gidsen geven er geen uitleg over, ze negeren de vraag, maar het lijkt duidelijk: voor de visumaanvraag moest een verklaring ondertekend worden waarin, uit angst voor ebola, staat dat Afrikaanse landen als Sierra Leone, Ivoorkust en Mali de voorbije drie weken niet bezocht waren. Half februari werden de grenzen zelfs helemaal dichtgegooid voor buitenlanders, en leek het erop dat de marathon in 2015 een puur Noord-Koreaanse aangelegenheid zou worden. Maar twee weken voor de race werd dat beleid plotseling weer gewijzigd en ging het feest toch door – maar niet voor Afrikanen.

De inwoners van Pyongyang lijken weinig aandacht te hebben voor het schouwspel. Niemand blijft staan om te kijken naar die in kleurrijke kleding uitgedoste en  met camera’s behangen blanken.

De mannen op straat dragen nette maar ruimvallende pakken, terwijl de vrouwen vaak in bloemetjesjurken lopen en op hoge hakken. Of ze er alle dagen van het jaar zo bijlopen of nu speciaal voor de toeristen zijn geïnstrueerd op net te gaan, blijft onduidelijk.

Een enkeling begint na een tijdje in de handen te klappen en waagt zich aan een voorzichtig ‘hello’. Er staan rijen kinderen opgesteld die een high-five willen. Daarvoor moeten ze eerst goedkeuring aan hun ouders vragen. Sommigen trekken hun handen op het laatste moment terug. Anderen zijn door het dolle heen als ze een westerling hebben aangeraakt, en naarmate de marathon vordert, wagen steeds meer kinderen en ook volwassenen zich eraan.

Oefenen met marcheren

In de stad gaat – op een paar duizend toeschouwers langs de kant na – het leven gewoon verder. Op een plein oefenen groepjes van honderd of meer soldaten met marcheren, waarbij ze hun gestrekte benen zo hoog opheffen dat ze zich bijna in het gezicht schoppen. Onderaan een van de bruggen over de rivier valt iets van een krottenwijkje te ontwaren, met huisjes gemaakt van groene legerlappen en verweerde lompen. Een soldaat smijt voor de ingang van een paar huisjes witte pakketjes op de grond. Het lijkt op voedsel, rijst. In de rivier wassen mensen zich. Je vraagt je af of ze het frisse bronwater dat elke vijf kilometer aan de marathonlopers wordt uitgedeeld, ooit hebben geproefd.

De toplopers uit Noord-Korea denderen in moordend tempo door de stad. De winnaar maakt pas op de eindstreep korte metten met zijn belager. Geen armen omhoog als hij na de uitputtingsslag over de finish komt, de beste van zijn natie op de marathon. Hij krijgt een blauw handdoekje over zijn hoofd geworpen, en druipt dan af richting kleedkamer. De eerste twintig lopers finishen binnen 2 uur en 20 minuten, een ongekend niveau voor lopers met gebrekkige techniek, die nooit in aanraking kwamen met buitenlandse trainingsmethodes.

Het is puur te danken aan uren van oefening, en zo zien de lichamen er ook uit: drooggetraind tot op het bot. De eerste vrouw komt binnen in 2 uur en 30 minuten. Dan druppelen de kinderen binnen. Sommigen lijken nog geen tien jaar oud en zijn niet langer dan 1 meter 30. Hun korte beentjes roffelen over het oranje tartan, het gezicht in een grimas van de inspanning. Ze worden meteen na de finish richting catacomben begeleid, uit het zicht van de toeschouwers.

Alle Koreaanse lopers, ongeacht welke leeftijd, finishen een marathon binnen de drie uur. Geen plek ter wereld waar dit gebeurt. Met dit tempo en deze afstand op die leeftijd? Dat moet haast wel komen door duizenden uren trainen.

Twee dagen na de marathon rijden er bussen vol toeristen door de stad. Voor iedereen zijn de regels duidelijk: geen foto’s van militairen, niet van militaire gebouwen of installaties, geen halve foto’s van standbeelden van een van de leiders en geen foto’s van burgers zonder dat eerst beleefd aan ze te vragen. Het zal in die vier dagen in Pyongyang en omgeving nog vaak klinken: ‘Did you make a picture of this? Delete it.

Niet kreuken

Andere regels: geen krant of tijdschrift met de beeltenis van een van de leiders verfomfaaien, kreuken of weggooien, Kim il-Sung altijd aanspreken met ‘dear leader’ of ‘president leader’ en zijn zoon Kim Jong-il met ‘general’ of ‘leader’ – wat met de Koreaanse tongval van de gidsen vaak klinkt als ‘little’. Kim Jong-un, het huidige staatshoofd, is ‘marshall’.

Maar de allerbelangrijkste regel voor een veilig verblijf: het is ten strengste verboden alleen de straat op te gaan. Doe je dat toch, reken er dan maar op dat een soldaat je binnen een paar minuten arresteert. En je legitimeren kan niet, want je paspoort moet worden ingeleverd bij aankomst. „En dan weten we niet wat er met je gaat gebeuren”, zegt gids Yong ongemakkelijk lachend.

Na vier bomvolle dagen met minstens tien bezoeken aan patriottistische musea en monumenten wil de gids weten of alles over haar land duidelijk is, of iedereen snapt waarom de Noord-Koreanen zeker weten dat dit het paradijs is. Dat het niet gaat om een kleine groep die rijk is, maar een grote groep die gelukkig is.

School is er twaalf jaar gratis, iedereen doet op vrijdagmiddag zonder morren een paar uurtjes gezellig vrijwilligerswerk en criminaliteit zou er niet bestaan.

Als de oude Russische Antonov de motoren opwarmt om opnieuw in het holst van de nacht terug te vliegen naar Shanghai, worden de gidsen ineens sentimenteel. Ze lijken voor het eerst deze week uit hun rol te vallen. Gids Yong laat de laatste handdruk minuten duren en haar collega Tha vraagt of iemand ooit terugkomt naar Noord-Korea, en wanneer dan. Hij kan het vliegtuig zien opstijgen, dat koers zet naar het voor hem onbekende. <<