Geweldige liedjes die niemand nog heeft gehoord

Morgen wordt de Annie M.G. Schmidtprijs uitgereikt voor het beste theaterlied. Juryvoorzitter Jacques Klöters geeft zijn negen favorieten. „Het liedje dat ik het beste vind, wint sowieso nooit.”

Als zondag de Annie M.G. Schmidtprijs wordt toegekend aan het beste theaterlied van vorig seizoen, is er één ding dat juryvoorzitter Jacques Klöters weet: „De mensen hebben dat lied nog nooit gehoord.” Dat is sarcastisch, maar niet overdreven. Het theaterlied leidt een kwijnend bestaan: het is niet te horen op de radio, niet op tv en steeds minder in het theater.

Het zit Klöters, voorzitter sinds 2009 en ook radiomaker, dan ook dwars. „Sinds er bij de radio centrale muziekredacties werden samengesteld en makers niet meer zelf mochten bepalen wat ze draaiden, hoor je alleen nog Nick & Simon, Bløf en Acda & De Munnik. Een geweldige verschraling. Zelfs als je een cd maakt, mag je daarover komen vertellen, maar de muziek niet draaien. Dat is toch krankzinnig?”

Toch is de 68-jarige cabarethistoricus, die decennia deel uitmaakte van Don Quishocking, voorzichtig positief over de toekomst. Hij signaleert een nieuwe generatie die het lied weer belangrijk vindt, zoals Het Nieuwe Lied, een collectief van dertien singer-songwriters. „Niet allemaal briljant, maar ze willen wat. En ze zijn muzikaal onderlegd. Veel conservatorium en theaterschool, dat hoor je aan de akkoorden. Het is geen hompie-kurkie.”

Dat is prettig, na jaren van malaise. „Er was een tijd dat mensen als Hans Dorrestijn, Robert Long of Michel van der Plas, beroepsschrijvers, liedjes schreven of componeerden voor artiesten als Adèle Bloemendaal, Jenny Arean en Karin Bloemen. Maar in het cabaret schrijft men nu zijn eigen repertoire. Dan hoor je veel langskomen waarvan je zegt: had een goede tekstschrijver genomen.”

Waar het ook aan schort, zijn geestige liedjes. „Van de 168 ingezonden liedjes deze editie waren er misschien tien die geestig wilden zijn en nog minder die geestig waren. Ivo de Wijs, Robert Long, Annie Schmidt en Drs P. konden in elk lied een lach schrijven. Wie doet dat nog? Jeroen van Merwijk. Verder zijn er niet veel die dat kunnen. Wat je nu hoort zijn veelal gevoelsuitingen, tamelijk vormeloze dingetjes.”

Maar een nummer dan als Mag ik dan bij jou van Claudia de Breij: radiohit, hoog in de Top-2000 en het populairste theaterliedje van de afgelopen jaren? Klöters: „Goed liedje. Wel eentje waarvan ik denk: dat heb ik al vaker gehoord. Bij Boudewijn de Groot, Brigitte Kaandorp.”

Klöters is zowel bij de voor- als de eindselectie van de prijs betrokken. „Wat de eindselectie haalt, voldoet aan technische eisen: structuur, vorm, zuiverheid. Maar dan begint het gesprek van de jury pas. Sommigen denken vanuit tekst, anderen vanuit muziek en weer anderen vanuit de voordracht.” In de reglementen van de prijs staat dat de tekst vooropstaat. „De reglementen heb ik nog nooit gelezen, maar in cabaret is tekst meestal leidend.”

De recente winnaars waren ragfijne liedjes: Mijn kind van Gerard van Maasakkers (2014), Vinkeveen van Angela Groothuizen (2013), Zomaar onverwacht, ook van Van Maasakkers (2012), Lente van Brigitte Kaandorp (2011). Melancholiek, maar ook: tegen het oubollige aan. Klöters: „Die melancholie is toeval. Goede bedoelingen of de ernst van het onderwerp bepalen de kracht van een liedje niet. Ik ben voor een winnaar die vurig, geestig, relevant, van deze tijd, strak en opzienbarend is en hitpotentie heeft. Kennelijk zat dat er niet bij.”

De prijs zet één keer per jaar één winnend lied in de spotlights. Waarom zijn er geen nominaties? Dat is een doeltreffende manier om meer liedjes onder de aandacht te brengen. Klöters vindt het een prikkelend idee, en is bereid zijn persoonlijke favorieten te bespreken. „Maar het liedje dat ik het leukste, mooiste en beste vind, wint sowieso nooit”, zegt hij er direct bij. Grappend: „Dat snap ik ook niet, want ik vind dat ik er enorm veel verstand van heb.”

1 Paul de Leeuw: Homo’s van negentien-toen

„De tekst is van Jurrian van Dongen, een vakman. Het is haast alsof dit door Harry Bannink en Annie zelf is geschreven, alsof het al bestond. Het lied betreurt dat het elkaar vinden in de homoseksuele subcultuur kil en elektronisch is geworden. De spanning van de nichtenkit is verdwenen. De tragiek van de oudere homo zit er ook in. Veel kleinkunst blijft hangen bij drie kampvuurakkoorden op gitaar, maar dit lied was muzikaal met grote theatraliteit opgezet.”

2 Lenny Kuhr: Sarah

„Ik zag Lenny Kuhr optreden in een klein zaaltje, terwijl die vrouw toch een grote carrière achter de rug heeft. Het was een onvergetelijke ervaring, zo innig, zo muzikaal. Dit krijgt in het grote geweld te weinig aandacht. Ze staat met enorme vreugde te musiceren. Ik ben niet erg van haar teksten, het is me soms te zweverig, maar dan word ik toch veroverd door de muzikaliteit. Kuhr heeft twee begeleiders op gitaar, onder wie Cor Mutsers, een tovenaar.

„Het lied zingt de lof van de ouderdom. Dat is mooi, tegendraads, omdat iedereen voortdurend de jeugd aanprijst. Het heeft een mooie melodie. Feit is ook dat Kuhr een schitterende stem heeft.”

3 Van der Laan en Woe: Met zijn tweeën

Een onschuldig voorgestelde jongensvriendschap ontaardt in verhalen over steeds absurder geweld en seksisme, met zoetgevooisd gezongen toevoeging: ‘Maar altijd, altijd, altijd, met zijn tweeën’. Klöters: „Hier word ik blij van. Leuke jongens, kunnen verrekte mooi zingen. Helemaal fijn: ze zijn behoorlijk bedreven in het schrijven van geestige liedjes. Elk liedje is een helder idee dat ze helemaal uitknijpen. Dat ze met De Kwis op tv zijn, is ook voor het theaterlied een opsteker.”

4 Yvonne van den Eerenbeemt: Vedette

Yvonne van den Eerenbeemt is de finaliste van Amsterdams Kleinkunstfestival 2014. „Beeldend geschreven. Schrijven kan ze. Een talent.”

5 Yentl & De Boer: Heel lang geleden

Winnaars van het Amsterdam Kleinkunstfestival 2014. „Leuke meiden. Muzikaal. Mooie akkoorden, mooie samenzang. Drie liedjes ingezonden, stuk voor stuk goed. Annie schreef ‘Ik wil je in een doosje doen’ in plaats van ‘Ik hou van jou’ en dat was een originele manier van zeggen. Dat vermogen zie ik bij hen ook.”

In Heel lang geleden wordt liefde als een sprookje bezongen, tot er een scheiding tussendoor komt. Klöters: „Ze doen alsof ze engeltjes zijn en dan word je ruw van je roze wolk gestoten. Een poëtisch lied, de regels mooi over de muziek verdeeld, met steeds een kleine verschuiving die verrassend werkt. Met een geheel eigen, arcadische sfeer.

„Goed cabaret: die sprookjesachtige sfeer tenietdoen, ook door uit een ander vocabulaire woorden te kiezen, als ‘basiscommunicatie’ en ‘bindingsangst’.”

6 Typhoon: Als de hemel valt

„Dit is een moeilijk onderdeel, want van hiphop hebben we in de jury geen verstand. Onze oren zijn toch afgesteld op het rijm van Drs. P. Typhoon onderscheidt zich en schrijft ambitieuze teksten. Het is belangrijk dat er in het theater andere sferen en culturen binnenkomen. Het moet niet te kleinkunsterig worden; het zootje moet worden opgeschud. De jury was blij met deze impuls, maar omdat het niet in theaters is gespeeld, kon het reglementair niet meedingen.

„De refreinregel vind ik het sterkst: ‘Als de hemel valt, zullen we het samen moeten dragen, dan kunnen God en Allah samen even weg.’ Dat de wereld niet geschraagd wordt door iets buiten je, maar door jezelf. Mooie, goede, belangrijke gedachte.”

7 Erik van Muiswinkel: Mooie cruise

Uit Schettino, dat vorig jaar de Poe-lifinario voor beste cabaretprogramma won. Klöters: „Ouderwets cabaret, leuk. De boef aanwijzen en hem bespotten. Sliepuit.”

8 Karin Bloemen: Amsterdam gaat dood

„Het idee is dat Amsterdam vroeger lekker ruig was en nu te braaf. De tekst, van Jan Beuving, is cabaretesk, met veel overstatement: ‘Er zat meer pis dan water in je grachten.’ Niet waar, wel leuk. ‘De cocaïne snoof je van de straat. De zwervers schieten drollen in mijn bootje.’ Regel na regel: pang, pang. Een opsomming, volks, maar met een knipoog. Amsterdammers zullen er ogenblikkelijk de gein van inzien.”

9 Peter van Rooijen: Het enge kind

Lied over eng kind blijkt over zanger zelf te gaan. Klöters: „Ik hou van ironie. Dit is speels en cynisch. Ik voel wel verwantschap met wat wij bij Don Quishocking deden. Die jongen heeft leuke hersens.”