Gaten schieten in deftige dingen

Ronald Snijders. Foto Lars van den Brink

Wat was uw eerste museumervaring?

„Ik heb beeldende kunst pas laat ontdekt. Op mijn twintigste nam een vriend me mee naar de Biënnale van Venetië, die bestond toen honderd jaar. Dat was mijn ontgroening. Daar zag ik voor het eerst Kandinsky en Duchamp.”

Wat hoopt u te vinden in een museum?

„Inspiratie. Dingen die afwijken van de geijkte patronen en die je dus dwingen tot herformuleren. Zoals de pindakaasvloer van Wim T. Schippers in Museum Boijmans. Daar moet je wat van vinden.”

Is kunst een dankbaar onderwerp voor een absurdist?

„Alles wat deftig is en autoriteit wil uitstralen, is een dankbaar onderwerp om gaten in te schieten. Met een stel Amsterdamse jongeren wilden we in 2003 het Stedelijk Museum opschudden. Dat noemden we de Explositie. Ik ging voor witte muren staan turen naar kunst die er niet hing, net zo lang tot andere bezoekers zo nieuwsgierig werden dat ze naast me kwamen staan.

„Met Pieter Jouke mocht ik twee jaar geleden een maand lang de bezoekers van Boijmans in staat van verwarring brengen. Een beetje fucken, met zelfgemaakte guerrillakunst. Bijvoorbeeld opgeblazen foto’s van stopcontacten.”

Dat klinkt bijna als echte kunst.

„Heel vrolijk werd ik een paar jaar geleden van een tentoonstelling in Amersfoort. Veertig kunstenaars en niet-kunstenaars waren uitgenodigd om iets in te leveren wat Geen Kunst was. Een commissie van niet-kunstkenners, met onder anderen een vuilnisman, beoordeelde de inzendingen op het niet-kunstgehalte. Een fenomenaal uitgangspunt. Als je iets exposeert, wordt het namelijk meteen kunst. Ik was ook uitgenodigd. Ik mailde dat ik geen werk zou inzenden en dat dat mijn bijdrage was. Zag ik later mijn e-mail uitgeprint aan de muur. Dat was natuurlijk de bedoeling niet.”