De gevaren van privatisering van het oorlogsbedrijf

Deze week vestigde een rechter in Washington de aandacht op een fenomeen dat doorgaans weinig opvalt, maar dat afgelopen decennia in de moderne oorlogvoering steeds belangrijker is geworden. Deze rechter deelde hoge straffen uit aan vier Amerikanen die, als medewerkers van beveiligingsfirma Blackwater, in 2007 op een plein in Bagdad een bloedbad hadden aangericht onder Iraakse burgers. Die wilde schietpartij, die zeventien ongewapende Irakezen het leven kostte, was een uitzonderlijk incident. Maar niet uitzonderlijk was dat werknemers van een particuliere onderneming zwaarbewapend in Irak rondreden, alsof ze Amerikaanse militairen waren. Gemiddeld hadden de Amerikanen tijdens die oorlog ongeveer evenveel echte militairen in Irak als medewerkers van bedrijven met winstoogmerk, die de strijdkrachten bijstonden. In Afghanistan had het ‘particuliere militaire bedrijfsleven’ zelfs aanzienlijk meer mensen in dienst dan het leger.

Een flink deel van het oorlogsbedrijf is sinds het einde van de Koude Oorlog geprivatiseerd, vooral in Amerika, maar ook in andere landen. Voor de Verenigde Staten is oorlog voeren zonder dat particuliere defensiefirma’s een deel van het werk op zich nemen, ondenkbaar geworden. Daarbij gaat het niet alleen om mannen met machinegeweren en militaire voertuigen die konvooien begeleiden, gebouwen bewaken, hoge functionarissen beveiligen en lokale militairen opleiden. Het gaat ook om koks, schoonmakers en logistieke medewerkers – functies die vroeger binnen het leger werden vervuld, maar nu vaak zijn uitbesteed.

Het kan een beklemmende gedachte zijn dat er een hele industrie is ontstaan van zulke bedrijven. Door via deze firma’s huurlingen in te schakelen, geeft de politiek het geweldsmonopolie van de staat op. Zogeheten Private Military Companies (PMC’s) hebben niet alleen belang bij het voortduren van oorlogen, bovendien is hun sector vrijwel niet gereguleerd en hoeven ze, anders dan militairen, geen verantwoording af te leggen aan gekozen politici.

Deze ontwikkeling is vermoedelijk niet meer te stuiten. Het is een miljardenbusiness, die duidelijk in een behoefte voorziet, van Afghanistan en Irak tot Bosnië, Colombia, Liberia, Nigeria en zelfs Griekenland (waar de regering in 2012 Blackwater inhuurde, inmiddels omgedoopt tot Academi, om extreemrechtse politieagenten in de gaten te houden). In Nederland zou de koopvaardij graag haar schepen met particuliere beveiligers tegen piraterij beschermen.

Op deze vrije markt van militaire en semi-militaire diensten opereren bedrijven in allerlei soorten en maten. Zo bestaat er een wereld van verschil tussen de Afghaanse krijgsheren die hun milities hebben omgedoopt tot ‘beveiligingsbedrijf’ en de westerse firma’s met generaals-buiten-dienst in de top en met omzetten van honderden miljoenen dollars. Maar in beide gevallen is er gebrek aan toezicht en afdwingbare regels die risico’s kunnen beperken en uitwassen kunnen voorkomen.

Een commissie van de Verenigde Naties heeft in 2010 een vergunningstelsel onder internationaal toezicht voorgesteld. Veel lidstaten ging díé inbreuk op hun soevereiniteit helaas te ver. Wel is er een vrijwillige gedragscode, waarbij honderden bedrijven zich hebben aangesloten. Maar dat is onvoldoende om de vele politieke, juridische en morele vragen te beantwoorden die de opkomst van de moderne huurling oproept. Daarvoor is een grondig internationaal debat hoognodig.