De Armeense kwestie

Bijna een miljoen Armeniërs kwamen om in het Ottomaanse Rijk in 1915. Plande de regering hun uitroeiing?

Russische soldaten bij de resten van Armeniërs uit het dorp Sheyxalan. Foto’s Usa.gov, Gettyimages, Project Save via Wikim C, Henry Morgenthau via Wikim C,

De ophef begon pas goed met een interview in het Franse dagblad Le Monde, in 1993. Daarin noemde Bernard Lewis, een gezaghebbend Brits historicus van het Midden-Oosten, gebruik van de term ‘genocide’ voor de massale moordpartijen in 1915 onder christelijke Armeniërs ‘de Armeense versie van de geschiedenis’. Dat was een sterke relativering. Lewis erkende dat er in het Ottomaanse Rijk op grote schaal was gemoord, maar zag geen bewijzen dat de regering in Istanbul had besloten de Armeniërs uit te roeien.

Foto Usa.gov

Armeniërs worden door Ottomaanse soldaten naar een gevangenis in Mezireh gebracht. Foto Usa.gov

Lewis, hoogleraar aan Princeton, was kennelijk van gedachten veranderd. In de eerste edities van zijn standaardwerk The Emergence of Modern Turkey (1961, 1968) sprak hij van ‘de vreselijke Holocaust van 1915, waarbij anderhalf miljoen Armeniërs omkwamen’. In latere edities spreekt hij van ‘de vreselijke slachting van 1915, waarbij volgens schattingen meer dan een miljoen Armeniërs omkwamen, evenals een onbekend aantal Turken.’

Deze maand is het honderd jaar geleden dat de Armeniërs van Anatolië door de Ottomaanse autoriteiten werden gedeporteerd naar de Syrische woestijn. Daarbij kwamen honderdduizenden om – door moordpartijen, aanvallen van milities en ontberingen. De afgelopen decennia is heftig gedebatteerd over de vraag of dit neerkwam op genocide of niet. Er tekende zich niet alleen een kloof af tussen Turkije en de rest van de wereld, maar ook binnen de gemeenschap van historici.

In 1980 greep generaal Kenan Evren de macht in Ankara. Een jaar later verbrak de Turkse regering een decennialange stilte over de massamoord onder Armeniërs in de Eerste Wereldoorlog. Het was geen genocide, zei ze, want het ging niet om doelbewuste uitroeiing, maar om plaatselijke uitbarstingen van geweld. De regering in Istanbul was niet bij machte geweest die te voorkomen, want het land was in oorlog. Er was bovendien over en weer gemoord; Armeniërs hadden ook veel moslims omgebracht. En: de Armeniërs hadden het onheil over zichzelf afgeroepen door massaal te heulen met vijand Rusland.

In 1985 debatteerde het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden over een motie die de moorden van 1915 veroordeelde als genocide. Bernard Lewis was één van 69 specialisten in de Ottomaanse geschiedenis die dit in een petitie ontraadden.

Een controverse was geboren.

1. Wat zijn de feiten?

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 woonden er grote aantallen christelijke Armeniërs in Anatolië. Schattingen lopen uiteen van 1,5 tot 2 miljoen. De meesten waren boeren, en een aanzienlijke groep in steden bestond uit handwerkslieden en handelaren. Ze waren in geen enkele provincie in de meerderheid.

In de Balkanoorlog van 1912-’13 had het Ottomaanse Rijk al zijn resterende grondgebied in Europa verloren en waren miljoenen Turkse moslims, zogenoemde muhacir (vluchtelingen), uitgeweken naar Anatolië. In Istanbul regeerde sinds 1913 het ‘Comité voor Eenheid en Vooruitgang’, door de buitenwereld ‘Jonge Turken’ genoemd, hervormingsgezinde ambtenaren en legerofficieren die in 1909 sultan Abdülhamit II hadden afgezet.

Armeniërs woonden sinds mensenheugenis in het Ottomaanse Rijk en waren goed geïntegreerd in deze veelvolkerenstaat. Maar de opkomst van nationalistische ideeën in de late negentiende eeuw ging niet aan hen voorbij. Er ontstonden Armeense politieke partijen, met als belangrijkste Dashnaksutyun, de Armeense Revolutionaire Federatie. Die werkte een tijd lang samen met de Jonge Turken. De partij wilde hervormingen in Oost-Anatolië ten gunste van de Armeense gemeenschap en kreeg daarvoor steun van Rusland, Engeland en Frankrijk. Deze drie mogendheden wierpen zich op als pleitbezorgers van de christenen in het Ottomaanse Rijk.

De voorgestelde hervormingen moesten worden doorgevoerd onder supervisie van Europese inspecteurs. De Jonge Turken vonden het hervormingsplan bedreigend en vroegen in 1913 aan Dashnaksutyun om buitenlandse inmenging af te wijzen. Maar de Armeniërs wilden juist wél buitenlands toezicht. De Jonge Turken ervoeren dit als een vertrouwensbreuk.

In de Eerste Wereldoorlog koos Istanbul de kant van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. Toen het Ottomaanse leger in december 1914 een zware nederlaag leed tegen Russische troepen in het oosten, beraadde het Jong-Turkse Comité voor Eenheid en Vooruitgang zich op ‘het binnenlandse gevaar’.

Op 24 april 1915, een dag voor de Geallieerde landingen aan de Dardanellen, gaf minister van Binnenlandse Zaken Mehmet Talaat opdracht in Istanbul enkele honderden Armeense intellectuelen, politici en bankiers op te pakken en te deporteren naar de provincie. Die datum, 24 april, beschouwt de Armeense diaspora nu als het begin van de genocide.

Op 27 mei 1915 nam het Ottomaanse parlement op voorstel van Talaat de zogenoemde Wet op Verplaatsing (Tehcir) aan. Die behelsde dat alle Armeniërs moesten worden gedeporteerd naar Dair al-Zour in Syrië. Toen werden ook de geïnterneerde notabelen afgevoerd; zij werden omgebracht in een kloof bij Ankara.

Getuigen van de deportaties spraken van ‘massamoord’. De meeste historici houden het aantal doden nu op 800.000 tot 1 miljoen. Kort na de oorlog werden in het verslagen Ottomaanse Rijk speciale tribunalen belegd, die verantwoordelijken bij verstek ter dood veroordeelden. Talaat was in 1918 naar Duitsland gevlucht, waar hij drie jaar later werd vermoord door een Armeniër die de slachting had overleefd.

2. Was het genocide?

In 1915 bestond de term ‘genocide’ nog niet. Die is in 1944 bedacht door de Poolse jurist Raphaël Lemkin (1900-1959). De term kreeg officiële erkenning toen hij in 1945 opdook in de aanklacht van het tribunaal van Neurenberg tegen de belangrijkste Duitse oorlogsmisdadigers. Hij kreeg een plaats in het volkenrecht. De VN-definitie van genocide luidt ‘daden die worden begaan met de bedoeling (intent) om een nationale, etnische of religieuze groep geheel of gedeeltelijk te vernietigen.’ Sleutelwoord is ‘intent’. Om de Armeniërmoord van 1915 genocide te kunnen noemen, moet ‘opzet’ worden aangetoond.

Volgens Erik-Jan Zürcher, hoogleraar Turkijestudies in Leiden, is er intussen ruim voldoende bewijsmateriaal. In zijn Leidse werkkamer vertelt hij: „Er ligt nu een stevig wetenschappelijk fundament, gebaseerd op een veelheid aan authentieke bronnen. Allereerst zijn er de getuigenissen van overlevenden. Er zijn dan wel 800.000 tot 1 miljoen Armeniërs omgebracht, maar er overleefden altijd nog honderdduizenden. We hebben ook de onverdachte getuigenissen van Duitse en Oostenrijkse officieren en diplomaten, bondgenoten van de Jonge Turken. Verder is er het materiaal dat ter tafel kwam tijdens de tribunalen van 1919: telegrammen, instructies, memoranda en rapporten over wat in de provincies gebeurde.”

De archieven van het Jong-Turkse Comité voor Eenheid en Vooruitgang zijn aan het eind van de oorlog grotendeels vernietigd door de leiding van het Comité zelf. Toch, zegt Zürcher, hoeft ‘intent’ niet altijd te worden aangetoond met documenten, het kan ook aan de hand van daden. „Eén belangrijke aanwijzing is dat op zoveel plaatsen iets vergelijkbaars gebeurt dat een en ander kennelijk volgens een draaiboek verloopt. We kunnen stap voor stap volgen hoe het deportatieproces escaleert en welke besluiten er centraal worden genomen. We zien hoe Talaat zich dagelijks op de hoogte stelt van de voortgang. Dat weten we uit zijn ‘zwarte boekje’, gepubliceerd door de Turkse auteur Murat Bardakci. Daarin hield Talaat de statistieken van de deportaties bij.”

De meeste mannen en jongens gaan niet mee op transport, maar worden enkele tientallen kilometers buiten hun woonplaats afgemaakt. Zürcher: „Dat weten we onder meer uit de vele persoonlijke getuigenissen die zijn verzameld door de historicus Raymond Kévorkian. Wat we zien, lijkt sterk op Srebrenica. Armeniërs krijgen opdracht te vertrekken. Meestal mogen ze niet eerst hun huizen en land verkopen. Eenmaal buiten stad of dorp worden de volwassen mannen en jongens vanaf een jaar of dertien van de rest gescheiden en afgevoerd. Zij worden buiten het zicht en masse doodgeschoten, met de bajonet gedood of verdronken. Deportatiecolonnes bestaan vooral uit oude mensen, vrouwen en kinderen.”

Foto Wikimedia Commons

Armeense moeder met stervend kind in een kamp voor gedeporteerden, Syrië, 1915. Foto Wikimedia Commons

De centrale besluitvorming over het uitmoorden van gedeporteerden is moeilijker te documenteren. Zürcher: „Instructies werden per koerier overgebracht, niet via het telegraafsysteem. Wel weten we wie ter plaatse betrokken waren bij het organiseren van moordpartijen en we kennen hun nauwe banden met het Comité in Istanbul.”

Een sleutelfiguur is Bahaettin Sakir, afgevaardigde van het Comité voor Eenheid en Vooruitgang in het oostelijke Erzurum. Zijn ouders waren gevlucht uit wat nu Bulgarije is. Hij is directeur van de Speciale Organisatie (Teskilât-i Mahsusa, TM), een paramilitaire eenheid die in 1914 in het leven is geroepen. Zürcher: „Sakir laat TM karavanen gedeporteerde Armeniërs bestoken. Verder vormt hij milities, die hij rekruteert onder vluchtelingen uit de Balkan en de Kaukasus, vrijgelaten gevangenen – vooral veroordeelden voor geweldsmisdrijven – en Turkse en Koerdische stammen. Die milities voeren aanvallen uit op colonnes gedeporteerde Armeniërs.”

Sakir is de man die Istanbul wijst op het ‘binnenlandse gevaar’. In februari 1915 rijdt hij per auto van Erzurum naar de hoofdstad. Hij voert daar vermoedelijk topoverleg, maar daar staat niets (meer) over op papier. Begin april 1915 is Sakir terug in het oosten en dan heeft hij volgens een getuige, een commandant van de Speciale Organisatie, nieuwe bevoegdheden en nieuwe middelen. En dan begint de mobilisatie tegen de Armeniërs pas echt.

Er zijn geen geschreven directieven van het centrum aan de regio, die wijzen op een planmatige uitroeiingscampagne. Zürcher: „Wat we wél hebben zijn getuigenverklaringen van gouverneurs en commandanten die zeggen: ‘Ik kreeg deze orders. Ze werden me voorgelezen en ik moest dit doen.’ Sommigen hebben het niet willen doen en zijn afgetreden of uit hun ambt gezet.”

Op grond van het nieuwste bronnenonderzoek ziet Zürcher geen reden meer om in twijfel te trekken dat de Armeniërmoord neerkwam op genocide. De meeste historici delen die conclusie. Toch schreef de oude Bernard Lewis nog in 2002 dat ‘er geen bewijzen zijn voor een besluit tot massamoord’. Hij kreeg bijval van enkele jongere collega’s, die vooral schreven over de motieven van Istanbul om de Armeniërs hard aan te pakken.

3. Wat dreef de leiding?

Volgens de hoofdstroom van Turkse historici en de Amerikaanse militaire historicus Ed Erickson waren de deportaties een ‘militaire noodzaak’. Armeniërs zouden massaal zijn gedeserteerd uit het Ottomaanse leger en zijn overgelopen naar de Russen. En er zou een Armeense guerrilla zijn gevoerd achter de Ottomaanse linies.

Zürcher vindt deze voorstelling van zaken onhoudbaar. „Er lopen maar weinig Armeniërs over. Zodra Turkije gaat deelnemen aan de oorlog deserteren dienstplichtige Armeniërs inderdaad massaal, maar dat doet iedereen. Begin 1915 opereren gewapende bendes van gedeserteerde soldaten aan het oostfront. Het zijn vrij kleine fenomenen binnen een heel grote Armeense gemeenschap, verspreid over Anatolië, die helemaal niet uit is op guerrilla of heulen met de Russen.”

De deportaties blijven ook niet beperkt tot het oorlogsgebied, maar vinden in het hele rijk plaats. Zürcher: „In de zomer van 1916 richten milities een tweede golf van moordpartijen aan in de kampen van gedeporteerden in Syrië. Dat zijn overwegend vrouwen; de mannen zijn vaak al dood. Dit is geen oorlogssituatie; het dichtstbijzijnde front is zeven- à achthonderd kilometer ver. We denken dat dit is gebeurd omdat Talaat limieten stelde - per district of dorp mochten niet meer dan 5 procent Armeniërs overblijven – en dat dit streefcijfer alsnog gehaald moest worden.”

Blijft de vraag wat Talaat en andere Jong-Turken bezielde dat ze de Armeniërs wilden uitmoorden. Zürcher benoemt enkele elementen van hun collectieve psyche. „In de eerste plaats waren er de traumatische ervaringen uit het verleden. Veel Jong-Turken kwamen uit de Balkan. In de oorlog van 1912-1913 hadden zij al die gebieden verloren die vijf eeuwen Ottomaans waren geweest. Dat was hun geboortegrond en ze zaten vol wrok.

„Maar ze wilden ook lering trekken uit dit debacle. Ze zeiden: waren wij maar als de Bulgaren, dan zou dit niet gebeurd zijn. De Bulgaren zijn een homogene natie. Om als land te slagen, dachten ze, moet je een nationale staat zijn met een homogene bevolking.”

Veel Jong-Turken hadden een sociaal-darwinistisch wereldbeeld, blijkt uit brieven en memoires. „Mede op grond van hun Balkanervaring zeiden ze: internationaal recht betekent niets, het gaat om het recht van de sterkste. Naties zijn verwikkeld in een strijd om overleving en daarin zijn alle middelen geoorloofd. De oorlog versterkte deze overtuiging. Voelden de Jong-Turken zich verwikkeld in een strijd op leven en dood? Ja, dat denk ik wel. Dachten ze dat het tot stand brengen van een homogene bevolking in Anatolië de enige oplossing was? Waarschijnlijk wel.”