Dansen tilt je op, geeft je het gevoel dat je zweeft

(Links) „De helft van het uur doen we bewegingen op een stoel, de andere helft staan we aan de barre, in een echte dansstudio.” (Rechts) „Elke les eindigt in een kring, hand in hand, waarmee we elkaar danken voor het mooie uur – een bijzonder ritueel.” Foto Esther van de Beek

„Een geniepige, sluipende ziekte is het. Ziekte van Parkinson – bij mij is in maart 2008 de diagnose gesteld. De eerste symptomen kreeg ik anderhalf jaar eerder. Pijn in mijn schouders. Vermoeidheid. Moeite m’n jas aan te trekken. Als ik in een winkel wisselgeld kreeg, lukte het me niet dat in m’n portemonnee te doen.

„Zoiets begint met kleine dingen. Ik verzweeg en verborg het eerst zoveel mogelijk. Mijn vrouw reageerde in het begin geïrriteerd: ‘Hè, schiet nou ’s op.’ Uiteindelijk ben ik toch maar naar de dokter gegaan, die de oorzaak niet meteen doorhad en verkeerde behandelingen voorschreef, waardoor het allemaal nog erger werd.

„En toen die boodschap in het ziekenhuis. Een mokerslag. Parkinson. Wat, ik? Sinds m’n elfde jaar ben ik echt een sportman geweest. Zwemmen, waterpolo – daar zat m’n passie.

„Ik was zwem- en waterpolotrainer en -coach. Ik heb jarenlang in besturen ge- zeten, van de zwem- en waterpolovereniging geweest, hier in Maastricht, en de Limburgse commissie. Ik heb samengewerkt met Jacco Verhaeren, de latere bondscoach. Jarenlang ben ik waterpoloscheidsrechter geweest in Zuid- en Oost-Nederland. Nijmegen, Zwolle, Terneuzen – elke zaterdag was ik op pad voor de landelijke waterpolocompetitie. Nog steeds, als ik een zwembad binnenloop – de geur, de geluiden –, dan welt een gevoel van geluk in me op, hoewel ik tegenwoordig niet meer zo vaak in een zwembad kom.

„Eerst denk je: die ziekte, ik zal ’m heus wel de baas kunnen worden, met mijn sportieve lichaam. Niet dus. Maar de ziekte ging met mij op de loop. Ik kon niet meer werken. Al die lichamelijke beperkingen maakten me ook depressief. Vier jaar heeft het geduurd om een balans te vinden met medicijnen. Tropenjaren zijn het geweest, vreselijk. Parkinson, ik stond ermee op en ik ging ermee naar bed.

„Sinds 2012 is m’n toestand redelijk stabiel, hoewel ik laatste tijd merk dat ik toch weer wat achteruit ga. Toch voel ik me, alles bij elkaar, stukken beter dan ik me in tijden heb gevoeld. Sinds oktober vorig jaar dans ik, samen met m’n vrouw, een uur per week. Ja, wie had dat ooit gedacht.

„Nee, geen stijldans. ‘Hedendaagse dans’, heet het, onder leiding van echte ballerina’s, die speciaal getraind zijn om les te geven aan mensen met Parkinson en hun mantelzorgers.

„Een vriend van ons, die ook Parkinson heeft, was deelnemer in Heerlen. Hij zei: ‘Het is geweldig, kom ’s kijken!?’ Ik zei een paar keer ’ja’, maar telkens verzon ik een smoes wanneer het eenmaal zover was. Ik voelde een drempel. Het leek me ook nogal confronterend andere mensen met Parkinson te ontmoeten, bij wie het ziekteproces al verder gevorderd was. Totdat er ook een dansgroep in Maastricht begon; dat was voor mij zo vlakbij, ik dacht: ach, een keertje gaan kijken verplicht me tot niks.

„Goed, ik ging, ik kwam thuis en ik zei: ‘Dít wil ik gaan doen, dit is zó prachtig!’ Het is extra leuk als je met z’n tweeën komt, dus ik vroeg aan mijn vrouw of zij de volgende keer wilde meegaan om te kijken of ze ook enthousiast zou zijn. En dat was ze, gelukkig.

„Wat het zo mooi maakt? Het zit ’m in verschillende dingen. Het is de sfeer, openheid, de manier waarop de mensen met elkaar omgaan. Alles kan, niks moet. Er is zoveel dat je niet aan elkaar hoeft te vertellen, dat je aanvoelt. Je zit met elkaar in hetzelfde schuitje. Als een gezond iemand aan me vraagt: ‘Hoe gaat het?’, dan heb ik vaak niet zo’n zin om erover te praten, ook omdat ik soms aan de ogen kan zien dat er toch amper naar m’n verhaal geluisterd wordt.

„In deze groep gaat dat allemaal vanzelf. Parkinson komt op een hele natuurlijke manier aan de orde, en vaak helemaal niet; we praten ook over de gewone alledaagse dingen en hebben een hoop lol met elkaar. Ruim een kwartier van tevoren zijn we aanwezig, we dansen een uur en daarna blijven we napraten. Het wordt steeds gezelliger.

„De helft van het uur doen we bewegingen op een stoel, de andere helft staan we aan de barre, in een echte dansstudio. We doen improvisaties en stukjes uit bestaande choreografie. De bewegingen, in combinatie met de muziek, waarmee bewegen stukken makkelijker gaat – het tilt je op, het geeft je het gevoel dat je zweeft.

„En het gaat er helemaal niet om dat je de ballerina’s heel precies volgt. Iedereen doet het naar eigen vermogen, op z’n eigen manier. Die vrouwen zijn zo fantastisch: geduldig, inlevend. Het is schitterend om naar hen te kijken als ze iets voordansen. Het doet je vergeten dat je zoveel te stellen hebt met je eigen lichaam.

„Ik had me m’n ‘derde helft’ heel anders voorgesteld, natuurlijk. Ik ben 62 jaar: als ik die Parkinson niet had gehad, zou ik nog gewoon aan het werk zijn geweest. Nu zit ik thuis, met die ziekte, waarvan ik maar moet afwachten hoe die zich verder ontwikkelt. Tropenjaren, dat zijn het – het valt me zwaar. Maar gelukkig heb ik nu de danskunst ontdekt als vervanging van de zwemsport. Daarin heb ik weer een nieuwe passie gevonden en hele fijne mensen leren kennen.”