Als een Kamervoorzitter niet functioneert en niemand ingrijpt

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: hoe Anoushka van Miltenburg ontlastende feiten over anderen onvermeld liet. Ofwel: wat te doen met een zwakke Kamervoorzitter?

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Elke Nederlander wordt geacht de overheidsregels te kennen. Behalve, kennelijk, de voorzitter van de Tweede Kamer. Je moest er even voor doorlezen – maar dit onthullende inkijkje in de binnenwereld van de politiek zat verstopt in documenten die Kamervoorzitter Anouchka van Miltenburg (VVD) woensdag vrijgaf.

Het ging over de controverse rond Kamerlid Linda Voortman (GroenLinks). En het liet in minivorm een verschijnsel zien dat zich in de Tweede Kamer al enkele jaren voordoet.

Omdat de voorzitter van dit Hoge College van Staat niet berekend is op haar taak, en omdat grote partijen hun redenen hebben haar niet weg te sturen, kunnen Kamerleden ten slotte één ding doen: een steeds hogere tolerantie voor de gebreken van hun voorzitter opbrengen.

De Kamer als onbedoelde beschermeling van haar onvermogende voorvrouw.

Normaal is er weinig reden stil te staan bij Kamervoorzitters. Iemand moet het doen. Je hebt een reglement van orde, dat is niet erg dik, en dat moet je, voordat je op die stoel plaatsneemt, uit je hoofd kennen – zoals de Duitse voorzetselrijtjes in havo twee.

Verder heb je procedure- en agendamacht: die is interessant. En dan behelst de functie vooral vormelijkheden: omgaan met de griffie, het kabinet, de Kamer zelf, buitenlands bezoek, de protesterende burger. Leg ijver en inzet aan de dag, kijk goed hoe je voorgangers het deden, en je komt een heel eind.

De voornaamste kunst voor een voorzitter is een imago van onpartijdigheid in stand houden. Dus wat erg helpt: partijgenoten kort houden, ze desnoods afblaffen.

Ook een goeie: zwijgen tegen de media. Complimenten komen dan vanzelf. Kijk in het archief en je ziet het stramien: vooral oppositiepartijen zijn vaak ontzettend tevreden over de voorzitter. Hoge kwaliteit, staatsrechtelijk zuiver, fijnzinnig gevoel voor de verhoudingen met het kabinet: dit zijn de woorden die dan vallen.

Het is niet per definitie onwaarachtig. Het is berekenende oprechtheid: wie het kabinet wil verzwakken, heeft alle belang bij een voorzitter die zijn procedure- en agendamacht tegen de coalitie in durft te zetten. Dan willen complimenten wel helpen. En kritiek juist niet.

Zo zien we al decennia hetzelfde verschijnsel: Kamervoorzitters die in de media omhoog worden geschreven, ook als hun interne aanzien zo geweldig niet is.

Dus achteraf was het een veeg teken dat Buma (CDA), een van de oppositieleiders, acht maanden na Van Miltenburgs aantreden al openlijk haar onpartijdigheid in twijfel trok. Zij zou stelselmatig de kant van de coalitie kiezen. De voorzitter voelde zich „onheus bejegend” – maar zelfs in de coalitie kon je destijds al optekenen dat Buma eigenlijk gelijk had.

In essentie is die situatie nooit meer verbeterd. Berusting maakte zich meester van de Kamer. In de oppositie zagen ze het geblunder aan en zeiden ze: we stellen haar zwakke functioneren niet meer aan de orde zolang we niet zeker weten of een van de coalitiepartijen ons steunt.

In de PvdA zeiden ze: we zien het probleem, maar het probleem is niet groot genoeg om er een coalitierisico van te maken; dit is een zaak van de VVD. En in de VVD zeiden ze: de voorzitter is gewogen en te licht bevonden, maar wij zullen haar niet tot vertrek dwingen: de enige die deze conclusie kan trekken is zijzelf.

Zo zitten grote Kamerfracties al een jaartje of twee gevangen in hun eigen logica: de voorzitter disfunctioneert, maar als disfunctionerende voorzitter is zij onvoldoende van belang om haar disfunctioneren te agenderen.

In die context ontstond vorig jaar de controverse over Linda Voortman, het Kamerlid van GroenLinks. Zij zou namen hebben gelekt van tegenkandidaten van Guido van Woerkom (VVD), de ANWB-directeur die was voorgedragen als nieuwe Nationale ombudsman.

Zijn voordracht was meteen omstreden (hij trok zich later ook terug). Een Kamercommissie had hem unaniem voorgedragen. GroenLinks was een van de weinige fracties die hierbuiten was gebleven: zodoende kon Voortman als enige tegen de voordracht opponeren.

In diezelfde periode onthulde de NOS namen van kandidaten die het tegen van Van Woerkom hadden afgelegd: de redactie had een anoniem mailtje met namen ontvangen.

Van Miltenburg besloot tot kordate tegenactie: zij begon onderzoek naar het lek. Zij riep, in aanwezigheid van haar griffier, Kamerleden bij zich die inzage hadden gehad in de kandidatenlijst. Voortman hoorde daartoe. In een vertrouwelijk gesprek, 19 juni vorig jaar, gaf zij toe enkele van die namen te hebben gedeeld met fractiegenoten.

Verdacht natuurlijk. Van Miltenburg kreeg 25 juni toestemming van het presidium om aangifte van lekken te doen, de naam van Voortman lekte uit naar De Telegraaf, en Voortman werd tijdelijk geschorst door haar fractie.

Maar wat kordaat oogde, was in feite onbekookt. Voortman, werd achteraf door de griffier bij de Rijksrecherche bevestigd, had er die negentiende juni, in gesprek met Van Miltenburg, meteen een feit aan toegevoegd dat haar buiten verdenking plaatste. Wat bleek: in het aan de NOS gestuurde mailtje stond één naam die niet op de kandidatenlijst voorkwam zoals Voortman die ingezien had. Ergo, zei Voortman: ik kan het lek niet zijn.

En belangrijker: achteraf stemde dit overeen met het oordeel dat officier van justitie H.J.J. Talsma 23 december 2014 per brief aan Van Miltenburg meedeelde. In zijn onderzoek, codenaam Zilverkaars, concludeerde hij ook iets heel anders. De vertrouwelijkheidregels van de Kamer zijn zodanig gesteld, schreef de aanklager, dat Voortman ook op dit punt geen blaam trof.

„Het enkel bespreken van de inhoud van vertrouwelijke stukken met Kamerleden die op gelijke voet gerechtigd zijn tot inzage in die stukken, levert (-) geen schending op van de vertrouwelijkheid’’, schreef de magistraat, die concludeerde dat Voortman „ten onrechte als verdachte [was] aangemerkt”.

Hoe pijnlijk: de voorzitter had dan kordaat aangifte gedaan – maar er blijk van gegeven dat ze a) de reikwijdte van de eigen vertrouwelijkheidsregels niet kende; en b) in die aangifte een voor Voortman cruciaal ontlastend feit ongenoemd liet.

Dus het had enige logica dat de Kamer, nadat Nieuwsuur een klachtbrief van Voortman had geopenbaard, deze week een reconstructie vroeg van de gang van zaken die tot de aangifte leidde. En het had óók enige logica dat het daarna allemaal erg stroperig werd.

Want Van Miltenburg zat klem: als zij haar aanzienlijke fouten toegaf, onderstreepte zij haar disfunctioneren.

Eerst wijdde de voorzitter woensdag zeven uur vergaderen aan de zaak. Het leidde uiteindelijk tot de vrijgave van een reeks documenten – zij het niet de brief van de officier van justitie, en ook niet de verklaring van de griffier bij de Rijksrecherche: ongemakkelijke c.q. belastende documenten voor de voorzitter.

In de wel gepubliceerde stukken stelde het presidium, het dagelijks bestuur van de Kamer, dat „het oordeel” van het OM over de geheimhoudingregels „niet overeenstemt met de tot nu toe in de Kamer gebruikelijke lezing en uitleg”. Let vooral op de woordkeuze – „oordeel”: zo’n officier van justitie heeft ook maar een mening. Tegelijk ontbrak elke zelfreflectie op de klaarblijkelijke gammelheid van de eigen regels.

Ook werden woensdag notulen vrijgegeven van de presidiumvergadering van 25 juni vorig jaar, waarin tot het doen van aangifte werd besloten. En de tekst van de aangifte, van 2 juli. Dus donderdag vroeg ik de woordvoerder van de voorzitter per mail „waarom zekere documenten (-) niet openbaar gemaakt zijn”. Zij antwoordde dat ik het moest „doen met alle stukken die” wel „openbaar gemaakt zijn”. En basta.

Zodat na vrijdag, toen Van Miltenburg zuinige excuses maakte („spijtig”) voor het ontbreken van het voor Voortman ontlastende feit in de aangifte, de vraag bleef wat de Kamer verder aanmoet met deze voorzitter.

„Bent u een goede voorzitter?”, vroeg een verslaggever van de NOS aar na het overleg met Voortman. „Ik ben Anouchka van Miltenburg, voorzitter”, zei ze.

Het bood hoop op de enige echte oplossing: dat zij zelf dan toch het onvermijdelijke inziet.