Alles kan nu een lamp zijn

Een stil protest op een lawaaibeurs. Zo zou je het manifest van ontwerper Hella Jongerius en Louise Schouwenberg, docente aan de Design Academy Eindhoven, kunnen noemen. In een hoekje van het Palazzo Clerici in Milaan deelt het Vlaamse cultuurcentrum Z33 deze week een vouwblad uit aan bezoekers van de Salone del Mobile, het jaarlijkse designspektakel dat meer dan 300.000 bezoekers van over de hele wereld trekt.

Beyond the new, voorbij het nieuwe, staat in grote letters op het blad. Het woord ‘new’ is doorgekrast.

Weg met het nieuwe? Dat is als vloeken in de kerk; de Salone is de hoogmis van het Nieuwe. Meer dan 2.500 fabrikanten en ontwerpers tonen in Milaan ontelbaar veel nieuwe producten. Met soms spectaculaire en ook letterlijk luidruchtige presentaties proberen de exposanten die te verkopen.

Waarom dit manifest? Jongerius en Schouwenberg zeggen lucht te hebben willen geven aan hun ergernis over de steeds grotere hoeveelheid „onzinproducten, commerciële hypes rond vermeende innovaties en lege retoriek” in Milaan. De branche is geobsedeerd door het Nieuwe omwille van het Nieuwe, zeggen ze. Het oude Bauhaus-ideaal – hoge kwaliteit bereikbaar maken voor velen – heeft plaatsgemaakt voor een stroom ego-objecten, vaak in kleine oplagen.

„Deze beurs zou een feest moeten zijn, vol innovaties en producten die ons leven beter maken”, zegt Jongerius, een succesvolle industrieel ontwerper die zowel voor Ikea werkt als voor vooraanstaande designmerken. In haar manifest pleit ze voor een idealistische agenda. Design is geen kunst en goede ideeën vragen om een industriële vertaling. Met Schouwenberg roept ze collega-ontwerpers op de noodzakelijke mentaliteitsomslag bij producenten te bewerkstelligen.

Een opmerkelijke boodschap, die haaks staat op wat de afgelopen decennia toch het succes was van ‘Dutch Design’. In hoeveel musea op de wereld zijn de experimentele, onconventionele en humorvolle gebaren van Nederlandse ontwerpers niet geëxposeerd, ook die van Jongerius trouwens?

„Een foto in een tijdschrift lijkt bij veel jonge ontwerpers vaak het hoogste doel”, schampert Jongerius. Goede ideeën krijgen volgens haar pas betekenis als ze als industrieel product ook een plek krijgen in de gewone wereld. „Eén gebruiker”, zegt Jongerius, „is geen gebruiker.”

Het manifest is niet het enige teken dat de Salone dit jaar minder uitbundig is dan voorgaande jaren. De designbranche is als een olietanker: het duurt lang voordat een koerswijziging effectief is. In 2007, het jaar dat de kredietcrisis losbarstte, wemelde het in Milaan van de peperdure designkunst. Nu wordt pas goed zichtbaar dat de tijden zijn veranderd.

Houten pallets

Vitra, een van de chicste meubelmerken, presenteert zijn meubels deze week op houten pallets. En net als veel andere grote fabrikanten heeft het Zwitserse bedrijf vooral klassieke ontwerpen afgestoft. Veel nieuwe meubels in Milaan zijn opvallend sober. No-nonsense merken als Muuto, E15 en Arco doen het goed. En ingetogen ontwerpers als de broers Bouroullec, Konstantin Grcic en Arik Levy zetten de toon. Kampioen van de beurs is Jasper Morrison, de Britse ontwerper die van ‘minder is meer’ zijn handelsmerk maakte.

Voor het Amerikaanse Emeco ontwierp Morrison de stoel Alfi: vier houten poten en een kunststof kuipje van industrieel afval. Voorbeeldig uitgevoerd, een goede zit en een tijdloos ontwerp. Een voorbeeld van hoe het moet, vindt ook Hella Jongerius: „Morrison is de absolute designtop.”

Wie zijn best doet vindt in Milaan wel meer innovatie. Vooral op Euroluce, de tweejaarlijkse lichtbeurs. Led, de lichtgevende diode, zorgt ervoor dat alles nu een lamp kan zijn. Dat leidt tot allerlei nieuwe producten. Artemide toont lichtgevende plafondplaten van Jean-Michel Wilmotte, Vibia lichtgevende gordijnen van Arik Levy en in de stand van Flos geven sommige wanden licht. Het Italiaanse bedrijf onthult ook de mooiste nieuwe lamp van de beurs, de Superloon van, alweer, Jasper Morrison, een verstelbare lichtgevende schijf op een driepoot.

Ook de Nederlandse bedrijven Moooi en Forbo investeerden in digitalisering. Moooi stak 11 miljoen euro in de bouw van een honderd meter lange tapijtprinter. Wat betreft kleur, resolutie en afmetingen zijn de beperkingen nu verdwenen, belooft de fabrikant. Klanten die bijvoorbeeld verlangen naar een 2.000 vierkante meter groot tapijt met een fotorealistische sterrenhemel kunnen op hun wenken worden bediend. Forbo kan hetzelfde op vinyl.

Opvallend is het grote aantal exposities dat vooruitloopt op Expo 2015, de wereldtentoonstelling die 1 mei in Milaan begint en als thema voedsel heeft (verwachte aantal bezoekers: 20 miljoen). Niemand doet dat zo onontkoombaar als de Design Academie Eindhoven. Affiches met een ferme drol en de titel Eat Shit attenderen op een expositie van de afdeling Food Non Food van de Brabantse opleiding.

Selfies

De vrolijkste tentoonstelling in Milaan is Photobooth, van de Zwitserse designacademie ECAL. De studenten hebben allerlei attributen en installaties ontworpen om selfies te maken. Een andere presentatie die tot nadenken stemt, is van ontwerpster Christien Meindertsma. Opende zij zeven jaar geleden velen de ogen met haar boek PIG 05049, waarin zij liet zien dat van een varken naast karbonades ook aspirine, bier, inkt en wat niet al wordt gemaakt, nu publiceert zij bij het designlabel Thomas Eyck een boek over een minstens zo relevant onderzoek: Bottom ash laboratory.

Met zeven, een pincet en hulp van een laboratorium onderzocht Meindertsma twee jaar lang een emmer met 25 kilo bodemas, het residu van afvalverbranding. Dit gruis, waarvan jaarlijks alleen in Nederland 1,5 miljoen ton overblijft, wordt vooral gebruikt om wegen op te hogen, zorgvuldig ingepakt in plastic om bodemvervuiling te voorkomen. Met haar onderzoek laat Meindertsma zien dat de hele wereld in een emmer met bodemas zit: glas, staal, aluminium, rvs, messing, lood, koper, zink, aluminium en zilver.

Tot haar spijt vond Meindertsma geen goud. Maar als ze meer as zou mogen onderzoeken, vindt ze dat ook, zegt ze. „Ons afval is rijke erts, rijker zelfs dan gewone erts.”

Meindersma liet de gevonden metalen tot cilinders smelten, en van het gruis maakte ze beton. Een emmer met afval veranderde zo in bruikbare grondstoffen. Nu alleen nog economische rendabele technieken om de bodemas te recyclen. Of, zouden Jongerius en Schouwenberg zeggen, een manier om een goed idee industrieel te vertalen.