‘We proberen ons ras levend te houden, in mooi Armenië’

Volgende week herdenken Armeniërs in hun hoofdstad dat zij 100 jaar geleden werden verdreven uit het Ottomaanse Rijk.

Met één hand belt Vartan Papazyan (51) zijn zus, met de andere stuurt hij door het dal langs de snelstromende rivier de Debed. Hij heeft net verteld dat zijn grootvader ook in Istanbul heeft gewoond, maar hoe de familiegeschiedenis nou precies zit, is hem ontschoten. „Mijn zus weet dat beter, die heeft meer met ze over dat soort dingen gepraat.”

We horen hem mompelen. „Moord dus?” herhaalt hij wat ze zegt. „Ik heb hier een Istanbulse in de auto. Wacht ik geef haar wel even.” Talar, mijn Turks-Armeense vertaalster, neemt de telefoon aan vanaf de achterbank. Vartan richt zijn ogen weer op de weg. De rit gaat richting de grens. We zijn vlakbij het punt waar Armenië, Georgië en Azerbajdzjan elkaar raken.

Vartan heeft ons eerder verteld dat zijn opa en diens broer vanuit Istanbul naar een door Britten gerund vluchtelingenkamp in Griekenland zijn gebracht. Ze waren toen een jaar of twaalf. We rekenen uit dat dit in 1915 of 1916 moet zijn geweest, de jaren van de verdrijving en moord op de Armeniërs in de nadagen van het Ottomaanse Rijk. Ze bleven een paar jaar in Griekenland.

Daarna koos de ene broer voor een boot naar Amerika. De andere ging naar Armenië. Ze verloren contact. Maar in 1969 vond de Amerikaanse broer zijn broer in Armenië, op dat moment een Sovjetrepubliek, en zocht hem op in 1972. „We waren nog kinderen, ik weet er niet veel meer van”, zegt Vartan.

De broer van zijn opa is kort na het bezoek aan Armenië overleden. De familie is het contact met de nabestaanden verloren. Ze zouden ergens in of rond Boston moeten wonen. Ze hebben een brief gestuurd naar de Armeense gemeenschap in Boston en tevergeefs via internet geprobeerd ze op te sporen. „Als er nog iemand leeft, zullen het kleinkinderen zijn.”

Misschien komen ze op 24 april wel naar de hoofdstad Yerevan. Veel Armeniërs uit de grote diaspora willen deelnemen aan de honderdjarige herdenking van de honderdduizenden slachtoffers. „Wie van zijn thuisland houdt moet komen”, zegt Vartan.

De dorpen waar we doorheen komen zijn leeg. Jonge mannen zitten in het leger. Iets oudere zijn in Rusland als gastarbeider. Gepensioneerden zonder kinderen zijn aan de bedelstaf. Hun staatspensioen is omgerekend zo’n veertig euro per maand. Vartan, die zelf net rondkomt, praat als iemand die heeft geleerd van zijn land te houden. Het idee dat de broer van zijn opa wellicht een betere keuze heeft gemaakt, is onbestaanbaar. Hij kijkt naar de bergen om ons heen en houdt een kleine speech.

„Is er een land mooier dan Armenië? Mijn grootvader koos Armenië omdat het ons thuisland is, onze grond. Die kun je niet verlaten. Ik kan naar Rusland gaan om te werken, maar ik kan niet echt weggaan. Ik zou mijn land te erg missen. Het is zwaar, ja. We zijn arm, ja. Maar we zijn in ons eigen lieve land. We proberen ons ras levend te houden in Armenië. Daar werken we hard aan.” Op de achterbank doen we er het zwijgen toe.