Treur niet om wie ik ben geweest

In zijn nieuwe bundel bespeelt de openhartige dichter drie registers in vele variaties. De dood overheerst, en dan komen ook de klassieken langs. ‘De beste stervenden, zegt men, staan recht in hun schoenen.’

‘Hij kruipt in andermans huid, maar blijft in eigen ziel’, typeerde uitgeverij de Arbeiderspers zo’n tien jaar geleden de poëzie van Luuk Gruwez (1953). In een bespreking van diens Allemansgek (2004) maakte ik bezwaar tegen deze reclametaal. Gruwez verborg zijn ziel, vond ik, integendeel achter het mombakkes van zijn poëzie. De dichter revancheerde zich in Wijvenheide (2012). In die terecht voor de VSB-prijs genomineerde bundel toonde hij reële betrokkenheid met de personages in zijn gedichten. Dat doet hij opnieuw, en zo mogelijk indringender, in zijn nieuwe bundel, De eindelozen. Dit leidt tot intrigerende monologen, zoals ‘Ballade van de bom’, ‘Vorstin van Rattekot’ en de cyclus ‘Medea zegt’. De ballade is een indrukwekkend oorlogsgedicht, waarin een bom zich afvraagt waarom hem de taak is toebedeeld die een tornado of aardbeving, of zelfs ‘die lieve, lieve lente / in haar miskende maar wreedaardige momenten’ veel doodgewoner kan verrichten. De zes Medea-teksten staan in hun theatrale krachttaal lijnrecht tegenover dit bezonken oorlogslied, terwijl de ‘Vorstin’ een ingetogen weeklacht uit.

Dit drietal registers bespeelt Gruwez in vele variaties. Daarbij is hij uitzonderlijk openhartig. In ‘Tijdverdrijf’ relativeert hij het poëtisch bedrijf wanneer hij een mogelijke nabestaande toespreekt. Treur niet om wie ik ben geweest, raadt hij de aangesprokene: ‘ik vind genoeg gezelschap ondergronds // en poëzie was simpelweg verlakkerij / waarmee ik mijn gecompliceerde zelf / kraakzindelijk probeerde op te blinken / zodat toch iemand het een poosje zou beminnen // bijvoorbeeld tussen vijf voor elf en elf / of tussen bladzij twaalf en tweeëntwintig.’ Deze hekeling is in tegenspraak met het openingsvers van de bundel, dat juist de noodwendigheid van het genre verkondigt. Op de dag van het laatste gedicht, profeteert Gruwez, komen ammoniet en dinosauriër zomaar terug.

… En hierna staat er een meisje op,

een doodgewoon meisje met meisjeshaar

dat ‘aap, noot, mies’, ‘aap, noot, mies’

zal scanderen met de stem van velen,

maar in haar eentje zal zij regels zingen

die eenieder doen verstommen, waarop

de poëzie opnieuw beginnen kan. En opnieuw.

Dit is een hoopvol bericht in een bundel waarin de dood de toon beheerst. In de titelcyclus fluiten de anonieme ‘dildo’s des doods’, maar daarna wordt het einde ‘vlees na vlees’ persoonlijker. Dan biedt Gruwez een prachtig in memoriam voor zijn buurman V.D.O (die noodlottig neerviel ‘van zijn ladder naar de hemel’) en twee ontroerende gedichten over zijn moeder. Een daarvan is een directe lofzang, die vanaf nu in geen bloemlezing van moedergedichten mag ontbreken. Het andere heet ‘Ontslapenis’, en is een indirecte herinnering. De dichter beschrijft daarin hoe zijn tante, weldra tachtig, zich begint af te vragen waar haar zus gebleven is. Bezoekt u haar graf, adviseert de dichter haar, ‘dan merkt u het, dan merkt u daar dat zij onvindbaar is.’

Neutraler, maar toch altijd nog een in memoriam van zijn grootmoeder, is ‘Thalassa, thalassa’. Het is, denk ik, het mooiste gedicht in De eindelozen.

De beste stervenden, zegt men, staan recht

in hun schoenen. Zij laten zich in goede aarde vallen,

snikken kort en dat is dat. Maar wat nu ik mijn oma

hier herdenk en haar vertrek van zoveel jaren her?

En dat zij, helemaal horizontaal en dement, niet één moment

verkroppen kon dat alle gestorvenen in haar verzameld nogmaals

dood. Straaltje bloed uit haar neus. Zuchtje van niets.

Mijn mond tegen haar oor: Ben je d’r nog? Jawel, jawel:

haar mond een schelp, waarmee zij mij de zee liet horen:

Zee, zee, museum van water, hier ben ik, spreekt u maar.

Toen en daar was het dat ik haar reutel moest vertalen.

Terwijl onder haar ziekenraam de sympathieke Leie

trager dan anders naar nog ruimer en gastvrijer water

stroomde. Gekreun, gekuch, gezucht dat haar

van mij en mij van haar beroofde. En dan

plots niets meer. Niets. Tenzij de zee, de zee.

Net zoals, maar vooral ook anders dan bijvoorbeeld Hester Knibbe, toont Gruwez in zijn rouwmomenten een sterke band met de klassieken. Hier met de vreugdekreet van de Griekse soldaten die na een laatste Klein-Aziatische bergrug in de Anabasis van Xenophon de zee terugzien.

In ‘Slachtoffers en daders’ komt de klassieke mythologie ten volle aan bod in ‘Medea zegt’. Maar die monologenreeks is vooral ook een spiegelbeeld van de voorafgaande cyclus ‘Volgens András’. Die eigentijdse seriemoordenaar, András Pandy, presenteerde Gruwez onder meer al in Wijvenheide. Nu lijkt hij af te rekenen met de zelfverklaarde dominee die zijn twee vrouwen en vier van zijn stiefkinderen keelde, in stukjes hakte en verdwijnen liet, De afrekening is paradoxaal subtiel. ‘András vindt dat men te veel van hem vindt,’ schrijft Luuk Gruwez, En daarmee verengt hij de grens tussen dader en slachtoffer – zoals op heel veel plaatsen elders in de bundel tussen haat en liefde, einde en begin.