Sublieme Arends fileert nep en echt

Hij heeft fantastisch werk, zegt cabaretier Daniël Arends aan het begin van zijn nieuwe programma Carte Blanche. Hij heeft nog nooit een show afgezegd, sterker, hij heeft nog nooit een verhaal niet afgemaakt. Oftewel: opgelet. Halverwege de show, midden in een verhaal, besluit Arends dan ook dat hij er geen zin meer in heeft. Hij is op en leeg. Zijn groei heeft een plafond bereikt. Het verhaal van zijn adoptie is helemaal uitgewrongen. Hij gaat er bij liggen.

Tot aan die obstructie doet Arends waar hij zo formidabel goed in is. Moeiteloos en soepel grappen vertellen, mensen die hij raar vindt over de hekel halen, zoals backpackers, vrouwen met kort haar, jongens die als vijfjarige zeggen piloot te willen worden en dat dan ook echt worden. Die mikpunten zijn niet willekeurig, zoals niets vrijblijvend is in dit programma – een masterclass cabaret. Elke grap is onderdeel van een zorgvuldig uitgewerkte tirade tegen onechtheid, tegen small talk, tegen de illusie dat we zwak zijn.

Dat is wat Arends ontmoedigt: wat mensen zijn is niet hetzelfde als hoe ze doen. Dat ligt ver uit elkaar. Mensen besluiten hun innerlijk af te schermen en kiezen voor de buitenkant, voor een imago. Dat is makkelijker. Maar het doodt de verbeelding.

Carte Blanche is een gewiekste cabaretshow over identiteit en over de strijd tussen schijn en wezen. Dwars door zijn kronkelige redeneringen stookt Arends een vreugdevuur van onwaarschijnlijk veel steengoede grappen, die vlijmscherp van karakter, feilloos getimed en puntgaaf geformuleerd zijn. Ook als hij met het publiek praat is hij alert en supergeestig.

Arends beschikt over het vermogen in elke hoek van een verhaal of een zin een verrassend wending te vinden. Zoals na de suggestie dat hij, nu hij is uitgeluld, ook iets uit de krant zou kunnen doen. Dan zegt hij: „Maar ik had laatst bijvoorbeeld, zo stom” en hier zucht hij diep, „aah, zo jammer, ik had laatst per ongeluk een keer, mijn hele leven de politiek niet gevolgd.”

Geen moment denk je echt dat hij „door zijn shit heen is”. Dat zijn worsteling nep aandoet, is een kleine weeffout in zijn verder zo knap gestructureerde voorstelling. Arends bijt niet door, maar valt terug op de halfslachtige provocatie dat het niet meer uitmaakt wat hij zegt. Zijn existentiële crisis is geen kentering, maar niet meer dan een gammel bruggetje naar nieuwe verhalen. Al snel jakkert hij weer door.

Zijn verhaal leidt naar de overweging dat jezelf zijn inmiddels een vaardigheid is, omdat alles om ons heen schreeuwt dat we alles kunnen zijn wat we willen, zolang het maar niet is wie we echt zijn. Terloops laat hij zien hoe dat werkt. Als hij een gitaar pakt om een kampvuurliedje in te zetten, breekt hij dat snel ruw af, met de opmerking: „Geintje”. Want dat is niet de echte Daniël Arends, niet de cynische cabaretier die we kennen. Het past niet bij zijn imago.

Maar aan het einde schuift hij alsnog plots achter de piano. Zonder commentaar op zichzelf en zonder de angst kitscherig te zijn zingt hij, op gedragen toon, een gevoelvol lied over de ambiguïteit in hem. En over pijn: „Onder het moeras van al die jaren van verdriet ligt nog heel veel van mij.”

Dat lied vormt de catharsis in deze sublieme, dappere voorstelling, het waardeoordeelloze moment waar hij naar verlangt. Voor even is hij wie hij wil zijn. Voor even durft hij de binnenkant die hij zo afschermt naar buiten te laten komen. Zijn plafond heeft Arends nog niet gevonden.