Stalingrad was voor de Duitsers een heuse Winterreise

Tenor Ian Bostridge analyseert de Winterreise. Zo legt hij de politieke laag van de cyclus bloot: de winterreis als een star politiek landschap, en de ik-persoon als de kunstenaar die zich een vreemde voelt in eigen land.

Foto Hollandse Hoogte

Tenor Ian Bostridge heeft niet alleen een prachtig timbre, maar wil ook laten horen dat hij veel weet. Die intellectuele bagage – hij is ook doctor in de geschiedenis – komt hem uitstekend van pas in zijn boek over Schuberts Winterreise. Zoals de titel al impliceert is Schubert’s Winter Journey. Anatomy of an Obsession zowel een anatomische ontleding van de liedcyclus als een meer persoonlijk verslag van zijn obsessie voor dit werk, dat hij vele malen zong. Wetenschappelijk onderbouwde context en anekdotische ervaring vallen samen.

Slim is de indeling van het boek in 24 hoofdstukken: voor elk lied één. Zo kan Bostridge uitweiden en afdwalen, zonder dat een gevoel van richting verdwijnt. En wie Winterreise kent, weet dat het daarin niet alleen gaat om het doel, maar ook om een reis vol associaties.

In zijn inleiding maakt Bostridge duidelijk dat het hem niet om de geromantiseerde Schubert te doen is. De Weense componist ging allesbehalve arm en onbegrepen het graf in, maar was een geliefd zelfstandig kunstenaar die aardig kon rondkomen van zijn werk. Natuurlijk stuitte Winterreise op verbazing toen hij die in 1827 bij een vriend voor het eerst zong, zichzelf begeleidend achter de piano. De anekdote dat alleen het traditionelere ‘Der Lindenbaum’ toen in de smaak viel is bekend. Maar zoals Bostridge benadrukt, verscheen kort na de postume publicatie een positieve recensie waarin Schuberts liedkunst ten hemel werd geprezen.

Lierdraaier

Bij de traditionele interpretaties van Winterreise plaatst Bostridge kritische kanttekeningen. Algemeen wordt de cyclus uitgelegd als een verslag van een afgewezen minnaar die door een winters landschap dwaalt, zich van iedereen afzijdig houdt, en tenslotte oog in oog staat met een mysterieuze lierdraaier (de dood?).

Bostridge is een close reader van de poëzie van Wilhelm Müller, die Schubert voor zijn cyclus gebruikte. Hoe zeker weten we dat de minnaar is afgewezen? Het eerste lied, ‘Gute Nacht’, geeft geen uitsluitsel. Als een vreemdeling verlaat de ik-persoon midden in de nacht de woonplaats van zijn meisje. Verlangend denkt hij terug aan de zoete maand mei, toen ‘het meisje sprak van liefde/De moeder zelfs van huwelijk’. Nu is de wereld donker, en wenst hij niet langer te wachten tot iemand hem ‘eruit gooit’. Is hij gedumpt, dumpte hij haar, was het vooruitzicht van trouwen een nachtmerrie voor een man met bindingsangst?

De dwaler is held en antiheld tegelijk. Het gebrek aan feiten maakt hem blijvend aantrekkelijk: hij is onze spiegel, we kunnen eigen verdriet en verlangens moeiteloos invoegen.

Vele hints, geen smoking gun: het maakt Winterreise ideaal voer voor interpreten. Maar Bostridge wil wel erg veel. Een grafiekje toont de temperatuur van het klimaat in de afgelopen tweeduizend jaar. Kijk, zegt hij, in Schuberts tijd stelde de winter veel meer voor dan tegenwoordig. Naar aanleiding van ‘Letzte Hoffnung’ (waarin de zanger zijn laatste hoop vestigt op een nog niet gevallen boomblaadje) volgt een uitgebreide verhandeling over de statistische wetenschap die in de negentiende eeuw de noties van determinisme en Voorzienigheid ondermijnt, eindigend bij de twintigste-eeuwse kwantummechanica. Dit staat toch wat ver af van Schuberts vallende blaadje, geeft Bostridge toe, waarna hij niettemin het wetenschappelijk proces van een vallend blad uitlegt.

Speculatief maar relevanter is de blootlegging van de politieke laag van Winterreise. De cyclus kwam tot stand in een tijd van restauratie: in het Pruisen van Müller en het Wenen van Schubert heerste strenge censuur en waren studenten en dichters op voorhand verdacht. Mogen we de winterreis ook uitleggen als een star politiek landschap, en de ik-persoon als de kunstenaar die zich een vreemde voelt in eigen land?

Bostridge beargumenteert die stelling onder meer aan de hand van het kolenbrandershutje waarin de protagonist in het lied ‘Rast’ een schuilplaats vindt. Kolenbranders waren in het begin van de negentiende eeuw buitenstaanders en hun techniek om brandstof te produceren was op z’n retour. Bostridge verbindt die symbolische outcast aan de Italiaanse anti-Oostenrijkgroepering ‘Carbonari’, die Müller op zijn Italiëreis wellicht tegengekwam. En voilà: carbonari = kolenbranders, een revolutionaire verwijzing die de censuur heeft gemist.

Politieke laag

Ook wordt de marxistische filosoof Slavoj Zizek aangehaald, die Winterreise koppelt aan de nazi’s. Was de Slag bij Stalingrad immers niet één grote winterreis, waarbij meteen de eerste regels op de Duitse soldaten kunnen worden toegepast: ‘Als vreemdeling kwam ik hier, als vreemdeling vertrek ik weer.’

Het is jammer dat het boek bij zoveel intrigerende theorieën en anekdotes geen voetnoten heeft, waardoor niet altijd duidelijk is welke ideeën van Bostridge zelf afkomstig zijn. Muziekvoorbeelden heeft Schubert’s Winter Journey wel, in bescheiden mate; ze geven een fraai inzicht in de interactie tussen pianist en zanger. Hier put Bostridge meestal uit eigen ervaring, hij vertelt over de relatie met het publiek dat hij vaak recht in de ogen kijkt, en onthult dat hij het laatste lied ‘Der Leiermann’ nooit repeteert. Dat zou ongepast zijn en zelfs ongeluk brengen.

Want wat te maken van dit exceptionele lied, waarin de zanger voor het eerst het woord tot een ander richt, een armzalige oude lierdraaier die blootsvoets op het ijs staat met een eeuwig leeg bakje? Zelfs Bostridge deinst terug voor een rationele verklaring. Wel komt hij met een huiveringwekkende interpretatie à la Samuel Beckett. ‘Wil jij je lier draaien op mijn liederen?’, vraagt de ik-figuur tenslotte aan de lierdraaier. Waarop een herhaling zou kunnen worden ingezet, het laatste lied altijd weer in het eerste overgaat, en we voor eeuwig gevangen zitten in een uitzichtloze wintertocht.