Resort

Moeten die mensen niet werken?, denk ik wanneer ik door het Vondelpark fiets. Ik hoor dat ik klink als een rechts, saai mens, maar ik vraag het me oprecht af. Het is een gewone werkdag. Blijkbaar verschaft de prille zonneschijn mensen het excuus om meteen halfnaakt op een grasveld te gaan liggen, alsof het hun laatste kans is, alsof we net zeven jaar lang onafgebroken een ijzige winter hebben meegemaakt waarvan we nu eindelijk bevrijd zijn. Terwijl het eigenlijk omgekeerd is: bij sneeuw kan ik me voorstellen dat je direct die eerste avond, bij het vallen van die maagdelijke eerste vlokken een sneeuwballengevecht inzet, als de wiedeweerga een sneeuwpop boetseert of acuut gaat sleeën; het sneeuwt immers tegenwoordig nog maar drie dagen per jaar, maar ik mag toch aannemen dat we nog een hele zomer voor de boeg hebben. Ik kan ook niet lekker werken door die zon, maar niet omdat ik zelf die hysterische relax-reflex heb, maar omdat iedereen om me heen zich zo panisch en tegelijkertijd sloom gedraagt. Ik moet rust hebben én in een ruimte zijn waar werkethos heerst – anders krijg ik niks meer voor elkaar – en ik weet waar ik heen moet.

Als enige Amsterdammer trek ik daarom vandaag een warme trui en een lange broek aan en fiets ik naar het NIOD, het Nederlands Instituut voor Oorlogs-Holocaust en Genocidestudies, aan de Herengracht. Daar is het ten behoeve van het behoud van ons oorlogserfgoed altijd koel. Het voelt bovendien enigszins ongepast om met de Tweede Wereldoorlog bezig te zijn in een korte broek, maar dat is mijn persoonlijke opinie.

Niet alleen als het buiten warm en druk is, is het NIOD een fijne plek, het is het hele jaar door de beste onderzoeksplek van Amsterdam, vond ik het afgelopen jaar uit. Ik geef toe, het klinkt paradoxaal en óók enigszins ongepast om het gebouw waar de meest afgrijselijke oorlogsdocumenten te vinden zijn als ‘fijn’ te bestempelen, maar waarschijnlijk zit daar wel enige logica achter. Ik heb nog steeds nachtmerries door mijn onderzoek naar meisjesdagboeken uit WOII. Als het NIOD niet zo’n lichte, ronde studiezaal had gehad met in het midden een glazen wand met daarachter allemaal groen en een hoopgevende, sierlijke boom, als er niet zulke onwaarschijnlijk behulpzame mensen hadden gewerkt die je elke keer verwelkomden alsof je een vijf-sterren-resort binnentrad, als het in de catacomben niet zo heerlijk rook naar oud papier – een geur die mij meteen deed denken aan mijn ouderlijk huis –, als de koffie er niet de aandoenlijke, vooroorlogse prijs van vijftig cent had gehad, zou ik er na de publicatie van mijn boek nooit meer een voet binnenzetten, zou niemand waarschijnlijk ooit meer onderzoek doen naar die belangrijke, maar ook angstaanjagende periode uit onze geschiedenis. Daar hebben ze heus wel over nagedacht.

Op deze eerste zomerse dag zigzag ik dus opgewekt (en zwetend) langs alle overvolle terrasjes naar het gebouw waar de grootste verschrikkingen uit onze geschiedenis keurig alfabetisch geordend staan om te schuilen voor het hedonisme van de stad.