Oerkracht en rauwe energie in Vlaamse sprookjes

Een moeder die haar dochter verafschuwt en wenst dat het straatstenen regent als ze op pad gaat. Een knecht die de dochter van zijn heer onder diens dak verkracht. Een vrouw die haar zuigelingen vermoordt omdat ze ‘op het veld moet travakken’ en ‘helegans geen tijd heeft’ om ze te verzorgen: Ja, het gaat er vaak gruwelijk aan toe in de veertig Vlaamse volkssprookjes die (jeugdboeken)auteur en antropologe Marita de Sterck Vuil Vel samenbracht. Grimmig zijn ze, deze uit de orale vertelkunst voortgekomen volksverhalen. Zeker voor ons moderne westerlingen die geloven in kinderlijke onschuld.

De Sterck toonde zich al eerder een groot pleitbezorger van ‘de homo narrans’: de vertellende mens, die van alle plaatsen en tijden is en zij terecht als het begin en geheim van onze schepping ziet. In Bloei (2010) bundelde ze zestig ongekuiste ‘oerverhalen over liefde en lef’. In Beest in bed (2012) maakten we kennis met negen klassieke Grimmsprookjes, voordat ze ‘door de mangel van de censuur werden gehaald’. Net als in deze boeken streeft De Sterck in Vuil Vel ernaar haar nieuw gevonden volkssprookjes ‘hun narratieve oerkracht en rauwe energie’ terug te geven. Daarin slaagt ze wonderwel.

De verhalen weerspiegelen het harde, dagelijkse bestaan en onze aardse emoties. ‘Mauricia en de zeventien moordenaars’ – een subversieve versie van ‘Sneeuwwitje’ – vertelt over jaloezie. ‘De pastoor en de drie boerendochters’ draait om hebzucht een ‘grote pot met goudstukken’. En wellust is het motief van de man die in ‘De bultenaar en de koningsdochter’ een ‘schone’ , aseksuele prinses verleidt met zijn ‘ezelsfluit’.

Behalve dat het platte, ongekunstelde karakter van alle vertellingen knap wordt overgebracht, klinken de teksten vermoedelijk nog steeds zoals ze ooit klonken toen ze werden verteld en herverteld door zwoegende akkerbouwers op de West-Vlaamse klei, die elkaar zo vermaakten en hielpen de wisselvalligheden van het lot te trotseren.

De vertelkracht zit in de herhaling, toont De Sterck, en in de vernuftige korte, maar veelzeggende zinnen waarin zegswijzen samen worden getrokken. Zo wint Arthur uit ‘De koning van Zevenbergen’ ‘zijn kameraden hun geld af’ met kaartspel, waarna hij ‘door een bos moet dat wel driehonderd uren lang was’. Uniek is de wijze waarop het Vlaamse, boertige volkskarakter in de bundel resoneert, wat wordt versterkt door de robuuste zwart-witte linosneden van Jonas Thys. Niet alleen putte De Sterck uit Vlaamse bronnen, ook haar pen is ontegenzeggelijk gedrenkt in het Vlaamse slijk, getuige alleen al de zintuiglijke titel ‘Vuil Vel’ – een banale naamvariant van Assepoester – en zegswijzen als ‘een bete brood’ en ‘benen die nog sneller repten dan de wetsteen over de zeis gaat’.

De Sterck belooft in haar voorwoord een ‘wordt vervolgd’ – hopelijk houdt ze woord.