‘Met alcohol in mijn lijf ben ik niet fotosjeniek’

Eddy Posthuma de Boer volgde Gerard Reve tijdens zijn gloriejaren en in zijn door Alzheimer bepaalde nadagen. Zijn foto’s laten een levenslang poserende schrijver zien, met een aantrekkelijke, strenge kop.

Omslag Op weg naar het einde uit 1969 door Eddy Posthuma de Boer. Uit besproken boek

De eer die normaal alleen voor pop- en filmsterren is weggelegd, viel in 1968 ook schrijver Gerard Reve ten deel: hij werd vereeuwigd op een poster, ‘een zuiver commerciële affiche, in een oplage van 2.5 duizend gedrukt.’ Op de poster zie je Reve met een ganzenveer schrijven: ‘God is de Liefde’ te midden van een bonte verzameling bric-à-brac: wijnflessen, een teddybeer in een kooi, een knuffel-ezel, twee kerstboompjes, een skelet, een tuinkabouter, Jezus aan het kruis.

In een brief uit die tijd geeft Reve zelf toelichting: ‘De flessen & glazen dienen voor de instandhouding van de “image” van drankzucht, verwording & ondergang. Ik had in werkelijkheid 2 dagen geen druppel geproefd, want zodra ik de alcohol in mijn lijf heb, ben ik niet fotosjeniek meer, & krijg ik iets bruuts & dierlijks, terwijl mijn anders zo lieve kop door zwelling wordt ontsierd.’

De poster en de bijbehorende coverfoto’s van Op weg naar het einde en Nader tot U vormen het hoogtepunt van het fotoboek Door het oog van de tijd. Hierin heeft fotograaf Eddy Posthuma de Boer zijn Reve-foto’s verzameld, begeleid door briefcitaten. Reve had een paar favoriete fotografen, van wie Steye Raviez eerder ook een Reveboekje uitbracht. Van die staffotografen heeft Posthuma de Boer hem het langst gevolgd, met grote tussenpozen van 1964 tot aan Reves dood in 2006.

Reve liet zich graag fotograferen. In een interview in het boek zegt zijn weduwnaar Joop Schafthuizen: ‘Niet vanwege zijn imago, dat interesseerde hem helemaal niks. Het allerlaatste waar hij aandacht voor had was: is het wel goed voor mijn winkeltje? Het ging hem om het goede beeld.’ Een merkwaardige uitspraak. In zijn proefschrift Verrek, het is geen kunstenaar (Boeken, 21 nov 2014) toonde Edwin Praat aan dat Reve juist een meester was in de zelfpromotie en dat hij de regie van zijn imago strak in de hand hield. De recensies maakten hem niets uit, ‘als de foto’s maar goed waren’.

Kitscherige karakter

De bric-à-brac-foto’s passen in die barokke tijd, de jaren zestig. Reve was fotogeniek, hij had een aantrekkelijke, strenge schrijverskop. De foto’s provoceerden: het kitscherige karakter botste met de goede smaak die bij de hoge kunsten hoort. Ook onderstreepte Reve hiermee pesterig zijn reclamemakerij, waar een serieuze schrijver zich verre van diende te houden. Tegelijk zitten de foto’s vol symboliek, als pop-art-varianten op stillevens uit de Gouden Eeuw. De voorwerpen verwijzen naar Reves mythische binnenwereld, naar God, de dood, de drank, sprookjes, en het katholieke geloof. Reve zit in zijn persoonlijke altaar.

Het lijkt alsof Posthuma de Boer de schrijver zijn hele leven volgde, maar in feite leunt het boek op twee korte periodes, die wel essentieel zijn: naast Reves hoogtij in de jaren zestig is dat Reves eindtijd, tot en met zijn begrafenis in 2006. De laatste foto’s tonen een lege schrijverskamer. Reve in een bijschrift: ‘Ik zie de dood met belangstelling tegemoet, maar ik ben bang dat ik heel oud word.’

De laatste jaren van zijn leven werd Reves verstand opgegeten door Alzheimer. Op de foto’s zie je hem vreemd doen, naar boven wijzend, verwrongen mond. Pijnlijk. Maar er zitten ook schitterende portretten bij van de gebeeldhouwde kop, die mooi oud is geworden. Zelfs een portret uit 2004 in het verpleeghuis toont zoveel verbeelding, wijsheid, tragiek, leven. Dat legt de kijker er zelf in, begrijpt ook de fotograaf, in werkelijkheid was de geest van Reve al goeddeels ontruimd. In het bijschrift zegt Posthuma de Boer: ‘God, ik wil niet zeggen dat het uitdrukkingsloos was, nee, helemaal niet. Hij keek als iemand die altijd gefotografeerd is en automatisch poserend terugkijkt.’