Laat mij zichtbaar zijn alsjeblieft

Austers nieuwe Nederlandse uitgever bundelde zijn non-fictie. Extra duidelijk wordt dat de twee rode draden in dit oeuvre het aanwezig zijn in geschiedenis en het invullen van een lege identiteit zijn.

Tekening Paul van der Steen

Wanneer Paul Auster het huis van zijn overleden vader leeghaalt, vindt hij een fotoalbum. Ooit heeft iemand er de titel ‘dit is ons leven: de Austers’ op gedrukt in mooie letters. Alleen, het album blijkt leeg te zijn: niemand heeft de moeite genomen er iets in te plakken. Een onbeschreven leven is een geschikt vertrekpunt voor het schrijverschap, want, zoals Auster schrijft: ‘elk verhaal is klein genoeg om in je zak te stoppen. Als de kiekjes van onze eigen familie die we bij ons hebben.’ (Hij schreef dit in een gelegenheidsstuk over een nationaal verhalenproject). Het is dus een kwestie van inplakken om zo’n leeg familiealbum ook daadwerkelijk vol te krijgen.

Het verhaal over het album en zijn overleden vader, ‘Portret van een onzichtbare man’, is het eerste stuk dat is opgenomen in Levenswerk, de vertaling van Austers verzamelde non-fictie. Het boek bevat de recensies, memoires, voorwoorden, gelegenheidsstukken die Auster vanaf de jaren zestig schreef. Compleet is het boek niet: de recente briefwisseling met Coetzee ontbreekt, net als het ‘winterlogboek’, zijn beschouwing over vergankelijkheid.

Wanneer iemands losse stukken bij elkaar worden geveegd, valt natuurlijk op dat elke auteur zich tijdens zijn leven wel eens herhaalt – in het geval van Auster iets vaker dan gemiddeld – en dat niet alle stukken even sterk zijn. Maar het moest kennelijk een ambitieus boek worden voor De Bezige Bij, de uitgeverij die Austers non-fictie nu bijeen heeft gebracht.

Die herhalingen laten onverlet dat het een goed idee is geweest om bijna alle stukken te verzamelen, domweg omdat Austers romans weinig verraden over de schrijver (‘mijn romans zijn niet autobiografisch, ik kan genoeg kwijt in mijn non-fictie’, verklaarde Auster ooit in een interview). Ook al vroeg een Schotse recensent zich wel af hoe het mogelijk was dat iemand ‘wiens memoires een geest verraden die banaal is en vrij van enig bijzonder inzicht’ ooit Paul Auster kon worden.

Rouwverhaal

Het antwoord op die vraag is deels terug te vinden in ‘Portret van een onzichtbare man’. Dit rouwverhaal uit 1979 (niet 1970, zoals in de vertaling staat) neemt de lezer direct mee wanneer op de eerste bladzijde de telefoon gaat: ‘Niemand belt om acht uur op een zondagmorgen, tenzij het om nieuws gaat dat niet kan wachten. En nieuws dat niet kan wachten is altijd slecht nieuws.’ Zo’n autobiografisch detail geeft de rinkelende telefoon in de New York Trilogy-roman Bronze City een extra lading. Wanneer Auster na dit telefoontje naar het huis van zijn vader rijdt, heeft hij eerst de sombere gedachten dat niemand zijn vader zal missen (‘al voor zijn dood was hij afwezig geweest’), waarna toch de herinneringen boven komen als het huis wordt leeggehaald. Langzaam vormt zich een beeld, de onzichtbare vader wordt ingevuld, krijgt een identiteit.

Is er iets ergers dan onzichtbaar zijn? Ja, wanneer je met geweld verwijderd wordt uit de familiegeschiedenis, zoals de opa van Auster overkwam. Het verhaal hierover is intrigerend: een familiefoto waarop de vader van Paul Auster als baby samen met zijn moeder en zijn broertjes staat afgebeeld, is gescheurd. Het lijkt alsof een broer op een wat onhandige manier op het hoofd van zijn kleine broertje leunt. Op de plek van die scheur heeft echter iemand gestaan. Het was opa die, zo ontdekt Auster, niet in de Eerste Wereldoorlog was omgekomen, maar in 1919 was vermoord door zijn echtgenote, Austers oma, die hem vervolgens ook uit de foto’s heeft verwijderd.

Aanwezig zijn in geschiedenis en het invullen van een lege identiteit zijn de twee grote leidraden voor Austers oeuvre geworden. In zijn vroege non-fictiewerk is Auster nadrukkelijk bezig zijn relevantie te zoeken – vaak tegen de klippen van de buitenwereld op. Zo vertelt Auster hoe hij na de scheiding van zijn vrouw op een zolderkamer in New York zit. Het is er leeg en grijs, maar de telefoon doet het, zonder dat hij er ooit een rekening voor betaalt. Wanneer Auster contact opneemt met de telefoonmaatschappij houdt die vol dat ze ‘nog nooit van hem hebben gehoord’. Het is een van die terloopse opmerkingen die een drijfveer verraden. De wereld moet weten wie Paul Auster is, te beginnen met de telefoonmaatschappij.

In zijn latere werk toont Auster dat hij niet alleen door zijn wortels, maar vooral door literatuur is gevormd. In het tamelijk ijdele ‘Van de hand in de tand’ (1997) vertelt hij in veel woorden door welke diepe dalen hij in Parijs ging, hoe vastbesloten hij was – ondanks de honger – om schrijver te worden, en hoe hij het hoofd boven water wist te houden met vertalingen.

Wie faalt, heeft geen identiteit is een gedachte die rond die tijd bij hem postvat en die schitterend vorm krijgt in een stuk over Knut Hamsons roman Honger: ‘Een jongeman komt aan in een stad. Hij heeft geen naam, geen huis, geen werk; hij is naar de stad gekomen om te schrijven. Hij schrijft. Of, preciezer gezegd, hij schrijft niet. Hij lijdt honger tot hij op sterven na dood is. Hij verliest alles – zelfs zichzelf. Zodra je de bodem van een goddeloze hel bereikt, verdwijnt de identiteit’. Een zelfportret via een klassieke literaire meester.

Ook bij Kafka treft Auster het lege lichaam dat met betekenis opgeladen moet worden. Over De hongerkunstenaar schrijft hij: ‘Hij dwaalt. Op de weg die geen weg is, op een aarde die niet zijn aarde is, een balling in zijn eigen lichaam. En van de ene stap naar de volgende vindt hij niets van zichzelf. Niet eens zichzelf, maar de schaduw van wat hij zal worden.’

En ook Don Quichots leven is leeg zonder de spiegel van zijn omgeving: ‘Men zegt: Don Quichot is bewust kierewiet geworden in de wereld van het denkbeeldige. Men kijkt naar een krankzinnig mens in de wereld en men zegt niets. Dit is misschien de treurnis van een verspild leven – maar niet meer dan dat.’

Pinokkio

Een verdwijnende identiteit, een mens als schaduw van zichzelf, een verspild leven: Auster is op zijn sterkst wanneer hij vanuit zijn eigen fascinatie leest. Zijn literaire stukken lezen als een nauw verholen autobiografie. Een mooi voorbeeld daarvan is het stuk over Pinokkio en de relatie tot zijn vader Gepetto. Auster koppelt het origineel aan de Disneyversie en ergert zich aan het loslaten van het drama in de film. Geen origineel verwijt aan Disney, maar in dit geval wel interessant omdat Auster vooral de verwijzing naar Aeneas mist die zijn vader op de rug droeg. De verhouding tot de vader moet met strijd gepaard gaan.

Wat heeft Auster uiteindelijk in dat lege familiealbum geplakt? Een liefdevollere vader dan gedacht, een eerste vrouw (Lydia David) met wie hij weinig subtiel afrekent wanneer hij schrijft over hun zoon die met acute longontsteking in het ziekenhuis wordt opgenomen, een tweede vrouw ( Siri Hustvedt) die hij ademloos bewondert, en veel schrijversvrienden waar hij soms wel erg prat op gaat.

Typerend is een stuk uit 2014, ‘Een leven in de kunst’, waarin hij allemaal vrienden noemt die inmiddels zijn overleden: Beckett, Joan Mitchell, Pinter, Sontag, etc. ‘Ook al zijn ze nu geesten, er gaat geen dag voorbij zonder dat ik de deur van mijn kamer open en ze uitnodig binnen te komen.’ Dat is een heel ijdele manier van zeggen dat mensen je geïnspireerd hebben. Maar het is ook een bezwering. Met zulk gezelschap kun je het fotoboek ‘Dit is ons leven: de Austers’ vullen. De auteur heeft zichzelf gevonden in een leven in de kunst, en is zelf buitengewoon tevreden met het resultaat.