Column

Het houdt niet op. Nooit houdt het op

Waarom nu pas? Met die woorden begint Günter Grass zijn onvergetelijke novelle Im Krebsgang (In krabbengang). Het boek verscheen in 2002. Pas vier jaar later zou Grass in een interview opbiechten dat hij als 17-jarige lid was geweest van de Waffen-SS. Toen kreeg hij zélf van alle kanten de vraag voor de voeten geworpen: waarom nu pas? Een halve eeuw had hij zich als het geweten van Duitsland opgesteld, ook in allerlei debatten over de Tweede Wereldoorlog en de noodzaak het verleden onder ogen te zien. En nu bleek dat hij zelf een pijnlijke episode uit zijn leven al die tijd had verzwegen. Na zijn dood, maandag, werd er in iedere necrologie bij stilgestaan.

Maar toen Im Krebsgang verscheen was dat allemaal nog niet bekend. Het boek maakte in Duitsland wel veel los, maar dat had met iets anders te maken. Centraal in het verhaal staat een waar gebeurd drama, dat zich afspeelde op de avond van 30 januari 1945. Duitsland was de oorlog aan het verliezen. Het Rode Leger rukte moordend en verkrachtend op vanuit het oosten. En in grote paniek probeerde de Duitse bevolking uit Oost-Pruisen te vluchten.

Velen overleefden hun vluchtpoging in die barre winter niet, maar zo’n 9.000 mensen wisten een plaatsje te bemachtigen op het overvolle passagiersschip Wilhelm Gustloff, dat werd ingezet om vluchtelingen en gewonde soldaten te evacueren. Kort na vertrek werd het schip getroffen door drie torpedo’s van een Sovjet-onderzeeër. In een klein uur zonk het naar de bodem van de Oostzee. Mannen, vrouwen en kinderen verdwenen in het ijskoude water. Slechts zo’n 1.200 opvarenden konden worden gered.

Het was de grootste scheepsramp in de geschiedenis. Maar in Duitsland was het lange tijd taboe er veel aandacht aan te besteden. Het land dat de holocaust op zijn geweten had kon zich maar beter niet te veel richten op gebeurtenissen waarin Duitsers slachtoffers waren in plaats van daders.

Grass was met Im Krebsgang een van degenen die Duitse burgerslachtoffers van de oorlog een menselijk gezicht gaven. Met gevoel schreef hij over hun lijden. In hetzelfde jaar verscheen ook het boek Der Brand, van de historicus Jörg Friedrich, die vanuit de optiek van de burgerbevolking schreef over de geallieerde bombardementen die de Duitse steden in puin legden. En ook het lot van de ‘Heimatvertriebenen’, de etnische Duitsers uit Oost-Pruisen, Silezië en Sudetenland, kreeg nu aandacht – en niet meer alleen van rechtse of extreem-rechtse Duitsers.

Waarom gebeurde dat toen pas, en niet eerder? Mogelijk omdat Duitsland sinds 1990 herenigd was, weer een gewoon land wilde worden en het dus ook over het eigen oorlogsleed kon, ja moest gaan hebben. Want als je de geschiedenis écht onder ogen wil zien, dan moet ook dat bespreekbaar zijn. Günter Grass hielp Duitsland daarbij.

Z’n eigen verleden kon hij nog vier jaar voor zich houden, tot hij het niet meer hield . Das musste raus, endlich, zei hij.

Het eigenlijke onderwerp van Im Krebsgang is niet de ondergang van de Wilhelm Gustloff, maar de vraag wat er gebeurt – in het land, of in familiekring – als zo’n drama jarenlang min of meer wordt doodgezwegen. Het antwoord van Grass: de geschiedenis kun je niet wegstoppen. Het kan een generatie duren, of zelfs twee, zoals in het boek, maar de herinnering aan de pijn, de bitterheid en de haat van de oorlog laat zich niet definitief verdringen.

Zie ook de oude wonden die nog niet geheeld blijken of nuweer opengereten worden in de conflicten tussen Rusland en Europa, tussen Griekenland en Duitsland. De oorlog is geschiedenis, maar niet voorbij. Ook zeventig jaar later niet. Of zoals Grass schrijft aan het slot van Im Krebsgang: „Het houdt niet op. Nooit houdt het op.”