Het boek zendt morseseinen uit

Ook zijn nieuwe roman cirkelt om een personage dat een raadsel met zich meedraagt. Onder schijnbare alledaagsheid schuilt een mysterie, een ongrijpbaar detective-element.

Illustratie Myrthe Denkers

In zijn Nobelprijsrede van december vorig jaar vergeleek Patrick Modiano (1945) de tijdsbeleving van nu met die van de negentiende eeuw. Voor Balzac, Dickens en Tolstoj verliep de tijd ‘langzamer dan vandaag’, in een ritme dat beter paste bij het schrijverschap. De huidige generatie auteurs, opgegroeid met internet, mail en twitter, produceert dan ook versnipperde, onderbroken oeuvres, schrijft hij. Al die sociale netwerken doen de intimiteit teniet. Waar is het geheim gebleven, vraagt Modiano zich af, dat grote romanthema dat de mensen diepgang gaf?

Modiano’s oeuvre cirkelt om personages die een raadsel met zich meedragen, figuren die op het eerste gezicht gewone levens leiden, in een café zitten, over straat lopen, boeken lezen of schrijven. Maar onder die schijnbare alledaagsheid bevindt zich een mysterie, over hun levens ligt een schaduw van nostalgie en verloren tijden, de schimmige nevel van vage handel, moord, misdaad en plotse verdwijningen. Iedere roman van Modiano heeft onderhuids elementen van een detective.

In zijn recentste roman, Om niet te verdwalen (Pour que tu ne te perdes pas dans le quartier), is het niet anders. Jean Daragane, een schrijver die al maanden geen mens heeft gezien, verliest zijn adressenboekje. Hij wordt gebeld door de eerlijke vinder, Gilles Ottolini, een man met een ‘weke, onheilspellende stem’. Meteen hangt er iets ongemakkelijks, iets dreigends in de lucht en de sfeer wordt er in de loop van het verhaal niet luchtiger op.

De man blijkt een dossier te hebben aangelegd over de schrijver, een ‘compacte massa dicht opeengepakte lettertjes’ in een kartonnen map, een ‘vergaarbak van aantekeningen’ over twee politieonderzoeken. De namen van de personen die erin genoemd worden, komen Daragane vaag bekend voor. De map, waarin hij ook een pasfoto van zichzelf als kind aantreft, wordt hem bezorgd door ene Chantal Grippay.

Ze is Ottolini’s vriendin en laat zich ’s avonds, gekleed in een zwart satijnen jurk met opgestikte zwaluwen van goudlamé, door hem naar duistere avondjes sturen. Chantal heeft haar naam veranderd, net als zoveel personages in Modiano’s oeuvre. Niets is tastbaar, niets is voor de eeuwigheid, niemand is wie hij lijkt.

Die ene vrouw

Zo wordt Daragane verleid om terug te gaan in het verleden, sporen te volgen van zijn jeugd, waarin veel is dat hij niet begrijpt. Wie zijn zijn ouders, wie zijn de mensen in wier huis hij woonde, en wat, vooral, is er geworden van die ene vrouw, Annie Astrand, die meer dan een jaar voor hem zorgde?

Het zijn personages wier contouren we kennen uit Verdaagd verdriet (Remise de peine, 1988). Langzaam komen de verdrongen en vervlogen beelden bij Daragane boven, stap voor stap herinnert hij zich de straten, de routes die hij liep als kind. Tijdlaag stapelt zich op tijdlaag, net zoals in het dicht opeen geschreven dossier over zijn persoon, over elkaar heen geschreven verhalen waarvan het ene het andere uitwist.

Terwijl Daragane langzaam de puzzel van zijn jeugd legt, kristalliseert zich die ene mysterieuze figuur uit, Annie Astrand. Bij haar woonde hij als jongen, eerst in haar huis in Saint-Leu-La-Fôret en later in een wijk van Parijs, vlakbij de Moulin Rouge. Ze gaf hem een briefje met hun adres, ‘opdat hij niet in de wijk zou verdwalen’. Een reddingsboei in een kinderleven zonder houvast. Met haar maakte hij de pasfoto die hij nu weer onder ogen krijgt, voor een paspoort waarin hij niet langer zijn eigen, maar haar achternaam droeg.

Jaren later schreef Daragane zijn eerste roman in de hoop dat Annie Astrand contact met hem zou opnemen. Alleen zij zou die ene episode van de pasfoto herkennen als ‘een flard werkelijkheid’, ‘zoals een van die persoonlijke berichtjes in een advertentierubriek, die slechts door één iemand kunnen worden begrepen’. Voor Daragane is een boek schrijven ‘een manier om lichtsignalen of morseseinen uit te zenden, gericht aan bepaalde mensen van wie hij niet wist wat er van hen was geworden’.

Obsessief

In de biografie van een schrijver, zegt Modiano in zijn Nobelprijsrede, vind je soms elementen die obsessief terug blijken te komen in de dieptestructuur van een oeuvre. Zijn ouders waren bijna altijd weg, vertelt hij, lieten hem achter bij vrienden van wie hij niets wist. Als kind vond hij dat normaal, pas later begon hij zijn jeugd vreemd en raadselachtig te vinden en probeerde hij de mensen en de plekken uit zijn jeugd te duiden. Vaak zonder resultaat. Het is de bron van Modiano’s schrijverschap.

Om niet te verdwalen is niet de zoveelste Modiano, maar een levend palimpsest, waarbij de schrijver voor onze ogen steeds weer een nieuwe tijdlaag, een nieuwe betekenis aanbrengt. Dat de vinder van het adressenboekje en zijn vriendin spoorloos in het verhaal verdwijnen, hoort erbij. Dat geen van de personages die in het verhaal opduiken duidelijk omlijnd wordt, hoeft niet te verbazen.

Het gaat uiteindelijk om het verdriet veroorzaakt door banden die knarsen op het grind, om het geluid van een auto die wegrijdt. Om niet te verdwalen is een schitterende, schrijnende Modiano met een onvergetelijke laatste zin.