Een tandarts met oog voor ‘groteskerieën’

Hoofdpersoon in de nieuwe, hilarische roman van Ferris is een eenzame tandarts, die vol jaloezie en verlatingsangst kijkt naar de families van zijn vriendinnen, zijn patiënten en zijn mondhygiëniste.

Foto Thinkstock

Het grootste verlies voor een atheïst, suggereert tandarts Paul O’Rourke in Joshua Ferris’ Weer opstaan op een christelijk tijdstip, is niet het verlies van God. Het is het verlies van de verhalen en de rituelen die mensen bindt en daarmee het verlies van familie. Voor de atheïst Paul is ‘er niet bij horen’ bijna een obsessie. Jaren klampte hij zich wanhopig vast aan vriendinnen die hem, in eigen bewoordingen, ‘gekutkluisterd’ hadden. Maar meer nog was hij verliefd op hun families. Hij probeerde bij ze in het gevlei te komen, met vaak desastreuze gevolgen. Kan dat amechtige los worden gezien van de zelfmoord van Pauls vader?

Paul, middelbaar weeskind, is ter ere van die man nog altijd supporter van de hopeloze Boston Red Sox – zeg maar: een sportflagellant –, waarbij hij ook zijn vaders hebbelijkheden in leven houdt. Altijd de kamer verlaten in de zesde inning. Het verdiept het gevoel van verlating eerder dan dat het troost biedt.

Inmiddels runt Paul een succesvolle tandheelkundige praktijk aan Park Avenue in New York, het hart van chique Manhattan. Maar ook daar is hij niet echt deel van de gemeenschap van zijn werkkring. Hij beschouwt de wereld met enige verbazing en afkeer: de patiënten en de treurige staat van hun gebitten, zijn ex-vriendin annex medewerker Connie en haar gewoonte haar handen in te smeren met lotion, zijn streng gelovige mondhygiëniste mevrouw Convoy. Hij heeft een scherp oog voor de ‘groteskerieën’ van het leven en het vak. ‘Een tandarts is maar half de dokter die hij beweert te zijn,’ zegt hij. ‘Dat hij ook half lijkbezorger is, is een geheim dat hij voor zich houdt. De zieke delen die hij weer gezond probeert te maken. De dode stukjes die hij presentabel probeert te krijgen. Hij boort een gat, ruimt de verrotting op, vult de put en dekt de boel af.’

Komisch en hilarisch

We hebben dus te maken met een misantropische verteller, maar goddank heeft Ferris hem behept met een zeer levendige stem. Paul, of beter: Ferris, beheerst de kunst van de (uitstekend vertaalde) komische opsomming en de vaak hilarische eenzijdig weergegeven dialoog. (‘Dan zei zij: “Wanneer ben je voor het laatst naar de kerk geweest?” Dat vertelde ik haar dan, en dan zei zij: “Nooit is geen optie. Iedereen is tenminste één keer naar de kerk geweest. Probeer eerlijk te zijn.” Dat deed ik dan, en dan zei zij weer: “O, in hemelsnaam. Niemand aanbidt een kleine, blauwe kabouter.”’) Zo creëert Ferris een sfeer waarin je je geregeld op een brede grijns betrapt, terwijl je wel degelijk het gewicht van Pauls wanhopige isolement voelt.

Het kantelen van de roman wordt al vroeg aangezegd door een emigrerende patiënt die van Paul afscheid neemt met de mysterieuze woorden: ‘Ik ben een Ulm. Daarom ga ik naar Israël. Ik ben een Ulm, en u ook!’ Vlak daarna blijkt een charlatan zich op internet – een moderniteit waartegen Paul groot wantrouwen koestert – uit te geven voor… tandarts Paul O’Rourke. Er verschijnt een website voor de praktijk en er zijn op zijn naam een Facebookpagina en een Twitter-account aangemaakt. Op al die platforms wordt door ‘Paul’ gepontificeerd over een mysterieus volk, de Ulm, en hun heilige boek, de Cantavetiekelen, vol kantonnementen waarin gesuggereerd wordt dat de Ulm zo grondig zijn vervolgd dat de joden het in vergelijking nog makkelijk hebben gehad.

Paul laat zich – na de nodige protesten – in mail-discussies met zijn alter ego lokken, en komt erachter dat hij een van de weinige overgebleven Ulm zou zijn. Hij raakt geobsedeerd door de kwestie, zoals hij vroeger geobsedeerd was door de joodse familie van Connie. Dat hij niet in God gelooft is voor de Ulm geen enkel probleem – hun religie is gebaseerd op de verplichting aan het bestaan van God te twijfelen.

Ambitieuze stap

Aldus trekt de Amerikaan Ferris (1974) een spiegelpaleis op van ironische paradoxen, met het doel dieper door te dringen in de aard van religie en de behoefte van elk mens contact te maken. Na de geestige maar nogal lichte kantoorkomedie The We Came to the End (2007) en het juist erg zware, existentiële The Unnamed (2010), neemt Ferris daarmee een ambitieuze stap voorwaarts, die niet voor niets onderkend is door de jury’s van de Man Booker Prize en de Dylan Thomas Prize.

Is de roman daarmee ook een onverdeeld succes? Dat niet. De pseudoreligieuze uiteenzettingen in het tweede deel van het boek laten de aandacht soms verslappen, en niet altijd is duidelijk waar Ferris heen wil. Maar de schrijver heeft met zijn daverende stijl en scherpe observaties dan al genoeg krediet opgebouwd om de lezer te verleiden ook die hobbels in de weg te nemen.