De methode-Palmen, nu toegepast op Connie Palmen

‘De hybride is niet alleen mijn vorm, ze is ook mijn thema’, schreef Connie Palmen in 2007 naar aanleiding van de omgang met de waarheid in haar roman Lucifer. Palmen had de wind van voren gekregen omdat haar roman een vertekend beeld zou geven van de werkelijkheid, in casu de dood van Marina Schepers, de vriendin van componist Peter Schat. Roman en reactie waren Palmen ten voeten uit: ze eigent zich in haar werk een (semi-)publieke werkelijkheid toe en haalt die door de molen van de fictie – soms tot frustratie van betrokkenen.

Achteraf gezien kon je erop wachten tot iemand de methode-Palmen op Palmen zelf zou toepassen – en dat is precies wat Eva Posthuma de Boer heeft gedaan in haar vierde roman Ica.

De hoofdpersoon van Ica is de schrijfster Nadine Sprengers, die idolaat is van haar oudere collega Ica Metz. Die laatste lijkt sprekend op Connie Palmen, of althans op wat het publiek doorgaans van haar persoonlijkheid te zien krijgt: een tengere vijftiger die veel rookt en graag drinkt, tot op het punt dat je je afvraagt of ze wel voldoende eet. Metz heeft verder de boeken van Palmen geschreven en is weduwe van mannen die sprekend lijken op Palmens gestorven geliefden Ischa Meijer en Hans van Mierlo. Posthuma de Boer verwijst bij uitspraken van haar personage Ica soms naar teksten of interviews van Palmen.

De roman is het verslag van Nadine Sprengers’ pogingen om een boek over Ica Metz te schrijven. Van enkele ontmoetingen in de marge van literaire evenementen en op borrels, waarbij Nadine een wederzijdse zielsverwantschap meent te bespeuren, tot een reis naar een huisje in de Morvan in Frankrijk, waar de twee vrouwen naartoe trekken. Dáár moet het materiaal voor Nadines roman over Ica verzameld worden. De werktitel is aanvankelijk De ongenaakbare. Op de achtergrond spelen enkele andere geschiedenissen uit Nadines leven: haar jonggestorven moeder (waarvan haar fascinatie voor een oudere schrijfster niet los te zien is), man en kinderen en haar vader. Die laatste hoopt op erkenning voor een kunsthistorische ontdekking waarin authenticiteit een grote rol speelt.

Voor de gemiddelde Palmen-watcher staan er genoeg verwijzingen in Ica. De roman heeft een zekere het-zou-toch-niet-sensatie. Wanneer sprake is van een lesbische relatie van Ica Metz, ben je toch geneigd te denken: Connie? Vrouwenliefde? Echt? Dat is natuurlijk de bedoeling, net als het metaliteraire effect dat optreedt wanneer Ica zegt: ‘Is dit het echte leven dan?’

Een heel vleiend portret is Ica tenslotte niet geworden: Metz ontpopt zich als een nogal egocentrisch wezen op wie Nadine maar nauwelijks vat krijgt: ongenaakbaar inderdaad. Dat maakt van het tweede deel van het boek, wanneer Nadine en Ica eenmaal in Frankrijk zitten, een lange zit. Deels komt dat door formuleringen als een zon die ‘een schone lei over de nieuwe dag’ werpt, maar hinderlijker is dat Ica maar geen echt drama wil worden: Posthuma de Boer slaagt er niet in haar Palmenologie tot een inhoudelijke tragedie te maken. Het personage Ica blijft een schim, de gedachten en gevoelens van Nadine lopen langs voorspelbare paden. Het maakt Ica tot een boek waarvan het idee overtuigender is dan de literaire uitwerking, iets wat Connie Palmen trouwens ook wel eens is overkomen.