Column

De aanzuigende werking van een stretcher en een krentenbol

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Behandel asiel-zoekers dan ook als gelijken, zegt Ilja Leonard Pfeijffer.

‘Het is zoeken naar een praktische oplossing voor een principieel probleem.” Met die zin eindigde het artikel van Annemarie Kas gisteren in deze krant over de ontstane onenigheid tussen de coalitiepartners VVD en PvdA over de vraag of uitgeprocedeerde asielzoekers die illegaal in Nederland verblijven recht hebben op basale voorzieningen die van staatswege worden verstrekt. De PvdA is voor het verstrekken van ‘bed, bad en brood’. De VVD wil dat alleen geven aan illegalen die meewerken aan hun uitzetting. Zij is bang dat er van het uitdelen van stretchers, krentenbollen en badschuim een aanzuigende werking zal uitgaan. Als ze daarover horen in Senegal, Tsjaad en Eritrea, dat je in Nederland zelfs als illegaal nog mag rekenen op een paar kadetjes van Bakker Bart, dan zijn ze helemaal niet meer te houden en staan ze binnen de kortste keren hier allemaal op de stoep, zo vreest de VVD. En we zijn wel goed, maar niet gek. Dus alleen als je netjes meegaat naar Schiphol, krijg je een boterham voor onderweg en anders crepeer je maar lekker.

Waar in dit geval volgens mij eerder behoefte aan is, is een principiële oplossing voor een praktisch probleem. We hebben mensen in Nederland die er volgens onze wetten niet mogen zijn, maar die ook niet weggaan. Sommigen willen niet terug naar hun eigen land, velen kunnen dat niet. Tegelijkertijd is het voor die mensen door onze wetten verboden om in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Daarmee hebben we een praktisch probleem, dat we zelf met onze wetgeving hebben gecreëerd.

Dat probleem kunnen we alleen maar oplossen als we antwoord geven op de principiële vraag of wij onze ongewenste gasten wensen te beschouwen als mensen die het recht hebben om te leven. Mocht het antwoord op die vraag ontkennend zijn, dan zijn er overigens wel efficiëntere methoden om ons van hen te ontdoen dan hun de basale levensbehoeften te onthouden.

Een richtlijn voor de principiële oplossing van het praktische probleem wordt geboden door de eerste helft van het eerste artikel van onze grondwet: ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld.’ De wetgever heeft zich bij de formulering van het gelijkheidsbeginsel ondubbelzinnig uitgedrukt. Het geldt niet alleen voor Nederlanders, Nederlandse staatsburgers, mensen die in Nederland zijn geboren of mensen die een voor Nederland geldige verblijfsvergunning hebben, maar ook heel nadrukkelijk en expliciet voor allen die zich in Nederland bevinden. Ook de uitgeprocedeerden en illegalen, van wie we liever niet zouden zien dat ze op ons grondgebied zijn, bevinden zich in Nederland. Hoewel een jurist natuurlijk altijd kan betogen dan in hun geval de gelijke gevallen minder gelijk zijn dan andere gelijke gevallen, vallen ze door het feit dat ze zich hier bevinden onder de bescherming van onze wet, waaronder het grondrecht op bestaanszekerheid, dat krachtens artikel 20 van de grondwet een zorg is van de overheid. Het onthouden van basale levensbehoeften aan illegalen is niet alleen inhumaan, maar ook een schending van onze rechtsstaat.