Blijf vooral ver weg van dat moordzuchtige Corsica

Rauw, ruw en ongepolijst is de taal van Marcu Biancarelli. Net zo woest en onherbergzaam als de bergketens. Duister, heftig, corrupt en gewelddadig is het Corsica dat hij beschrijft. Biancarelli is het boegbeeld van de literatuur op het eiland, hij schrijft poëzie, toneel, essays en romans – in het Corsicaans. Zijn romans worden in Frankrijk uitgegeven door Actes Sud, in de reeks buitenlandse literatuur.

Voor de Franse vertaling van Murtoriu o a baddata di Mansuetu tekende onder meer Jérôme Ferrari, schrijver van de roman De preek over de val van Rome. Dat is geen toeval, want hij beschrijft eenzelfde wereld als Biancarelli. Gepolijster, verhevener, literairder weliswaar, maar de kern is hetzelfde: een beeld van het einde van een tijdperk, met de apocalyps in aantocht.

De verteller van Corsicaanse rapsodie is Marcantonu Cianfarani, boekhandelaar en ‘mislukt dichter’. In het hoogseizoen, als toeristen het eiland bevolken en klandizie brengen, trekt hij zich terug in zijn huis in de bergen, ‘opgesloten in een vallei, omringd door kastanjes en pijnbomen’. Hij beschouwt het als een politieke daad. Niets wil hij te maken hebben met die volgevreten wereld van het consumentisme, hersenloos gemaakt door nationalistische stromingen’. De kluizenaar-verteller foetert op ‘veertig jaar van waanzin, bomaanslagen en bloedvergieten’, het enige wat Corsica rest zijn haar stranden, zodat de toeristen ‘met hun dikke reet in de zon kunnen gaan liggen’. Ze lezen ook alleen maar rotzooi, niet het soort literatuur dat hij verkoopt. Zijn lievelingsauteurs zijn Herman Melville, Stevenson, Conrad, Hemingway, Miller, Fante, McCarthy, ze hebben ‘hem het leven gered’. Hij leest nauwelijks Fransen.

Biancarelli schotelt ons levens voor die ver af staan van de intellectuelen in Parijs. Het gaat hem om zijn vrienden, de zwijgzame, gehandicapte herder en de boer die gefascineerd is door geschiedenis en architectuur. Hij schrijft over hun familie, hun neven en nichten, de hoeren uit het dorp, de corrupte ambtenaren, de mooie advocate en de nietsontziende moordenaars.

We switchen van heden naar verleden, van het ene naar het andere personage, van de ene naar de andere verhaallijn. Er wordt gemoord en er wordt gestorven, in overvallen, oorlogen en wraakoefeningen. ‘Elke nieuwe wereld die ontstaat draagt een andere ten grave’, schrijft Biancarelli, als de echo van Ferrari. Zowel bij Biancarelli alsFerrari resoneren de bloedige aanslagen die in de jaren negentig op Corsica plaatsvonden.

‘Schrijven is de ultieme daad om de dood te overwinnen’, zegt de verteller, ‘ik vertel over hoe ik beetje bij beetje wegkwijn in een godgeklaagd gehucht dat ook zelf bezig is weg te zakken in een soort oneindige onbenulligheid’. Biancarelli gaat voor de waarheid, keihard en zonder er doekjes om te winden. Toeristen zullen zich na het lezen van zijn boek wel twee keer bedenken voordat ze de boot nemen naar het eiland.