Wraak van het achterland

Frankrijk ging massaal naar La famille Bélier, over een meisje in een doofstomme familie. Het publiek is kennelijk op zoek naar een hechter en warmer Frankrijk.

Kwetterende vogeltjes, koeien in sappige weiden en een klassieke Franse boerderij. Als vervolgens ook nog een roestige Renault 4, de archetypische bestelwagen van bakker, boer en dorpsdokter, in beeld verschijnt, dan weet je het wel: dit wordt een lofzang op het Frankrijk van het platteland, dat in de ogen van angstige Fransen bedreigd wordt door de oprukkende wereld.

Na dit openingsshot van La famille Bélier, dé Franse filmhit van de afgelopen maanden, zal het niet lang meer duren voordat de rauwmelkse kazen, de Marseillaise en zoetsappige chansons worden opgediend.

De film van Éric Lartigau trok al meer dan zeven miljoen Fransen naar de bioscopen. Dat is geen record – vergelijkbare feel-goodfilms zoals Bienvenue chez les Ch’tis en Intouchables haalden drie keer zoveel bezoekers – maar het is voor Franse begrippen toch nog steeds een grote kaskraker. In Hollywood wordt inmiddels aan een remake gewerkt.

De sleutel van wat volgens Franse kranten een „onverwacht succes” is, is wat Le Figaro ‘de wraak van het achterland’ noemt, dat zich met traditionele waarden, kleinschaligheid en rotsvast vertrouwen in de republiek vergeten voelt.

Het was de socioloog Christophe Guilluy die dit begrip onlangs muntte om uit te leggen waar de kloof tussen burger en politiek, het eeuwige Franse pessimisme en, daarmee, de steun voor het Front National vandaan komt. Idealisering van het traditionele provincieleven, bedreigd door de sluiting van fabrieken, boerenbedrijven en een vlucht naar de stad hoort daarbij.

Maar Paula kan prachtig zingen

Aan de oppervlakte gaat het verhaal over een boerenfamilie waarin alleen de dochter kan horen. Haar vader en moeder, vertolkt door François Damiens en Karin Viard, en haar broertje zijn doofstom. De zestienjarige Paula (zangeres Louane Emera) is de spil van het gezin. Ze moet geregeld bijspringen voor vertalingen. Ze is onmisbaar bij de verkoop van de kazen op de dorpsmarkt, onderhandelt op weg naar school over koeien en moet zelfs met de ouders mee voor een vertaling in gebarentaal van een intiem gesprek bij de huisarts. Dat levert vrolijke scènes op.

Het drama komt als Paula via haar muziekleraar op school ontdekt dat ze een mooie stem heeft en mee wil doen aan het jaarlijkse concours van de Franse nationale radio in Parijs. Het universele thema is natuurlijk het hechte gezin dat ziet dat het pubermeisje haar vleugels wil uitslaan en naar de grote stad wil, haar die kans gunt, maar haar ook niet kwijt wil.

Scenariste Victoria Bedos (1984), die uit een bekende Franse artiestenfamilie komt, wilde „een boodschap overbrengen” aan haar eigen ouders, over „de moeilijkheid van het doorknippen van de navelstreng met een liefhebbende en originele familie”, zei ze op de radio. Dat de familie doof is en zich dus lastig kan verplaatsen in de liefde van hun dochter voor muziek, maakt het nog wat schrijnender.

Precies dat gegeven wekte overigens de woede op van de dovengemeenschap, zowel in Frankrijk als daarbuiten. In The Guardian noemde journalist Rebecca Atkinson, zelf doof, de film „beledigend” omdat het wel of niet horen van muziek een clichématige preoccupatie is van horende mensen: wie nooit muziek heeft gehoord, mist niets, schreef ze.

De dove Franse actrice Emmanuelle Laborit vond dat er „met onze handicap geld wordt verdiend”. Zij kwam ook met een fundamenteler bezwaar: het feit dat niet-dove acteurs voor de film gebarentaal hebben geleerd. Dat is geen succes: „Ze spreken gebarentaal als varkens”, zei ze tegen Le Monde. Het is als zou je blanke acteurs zwart schminken voor een Blackface-act, schrijft Atkinson. Maar in wezen gaat de film dus helemaal niet over doofheid. Net zoals Intouchables, waarin een gehandicapte rijkaard verzorgd wordt door een kansloze zwarte man, niet over het leven met een handicap ging, maar over een voor Fransen belangrijk politiek thema: een voor één keer wel geslaagde ontmoeting tussen de welgestelde blanke bovenlaag en de duistere banlieue, met, overigens, alle raciale stereotypen die daarbij horen.

Dat de Béliers doof zijn, verklaart niet het succes. Dat zit hem meer in het decor en de thematiek van het voor zijn voortbestaan vechtende platteland en, net als bijvoorbeeld in Amélie , naar de hunkering naar een Frankrijk dat nog ordelijk en overzichtelijk was.

Uiteindelijk komt de weemoed naar een Frankrijk dat niet meer bestaat het best naar voren door de onvermoede revival van de bedaagde chansonnier Michel Sardou. Alle liedjes in de film zijn van zijn hand. Zelfs in metropool Parijs liepen bioscoopbezoekers zijn Je vole (inmiddels een grote hit voor Louane Emera) neuriënd naar buiten. De muziekleraar in de film, een onverbeterlijke fan van de zanger, vat de essentie tegenover zijn leerlingen bondig samen: „Als alles slecht gaat en er geen enkele hoop meer is, dan is er altijd nog Michel Sardou.”