Wilde meisjes met vlooien

Slechts tien jaar duurde de carrière van illustratrice Marietje Witteveen. De kinderboeken die ze vlak na de oorlog maakte, zijn heerlijk dwars en feministisch. Onlangs doken nog vier onbekende prentenboeken op.

Illustratie voor De tentoonstelling, een ongepubliceerd prentenboek van Marietje Witteveen uit de jaren veertig. Aquarel op papier, particuliere collectie.

‘Rose Marijke gaat op reis’, het is maar een klein prentenboekje, niet meer dan tien bladzijden met een nietje erdoor. Het gaat over een meisje dat net na de oorlog met haar vader, achter op de fiets, naar Parijs gaat. Maar als je het beter bekijkt, vraag je je af: wat is dat voor een kinderboek? Op een van de pagina’s staat een grof getekend plaatje in bruine tinten van een hobbezakkige zwerver met een stoppelbaard en een geruite pet, voortgetrokken op een karretje door een zielig meisje. Het versje erbij luidt: ‘In Parijs woont een meneer, die heeft geen armen en geen benen meer. Met zijn neus en met zijn mond, raapt hij centen van de grond’. Een volgende bladzijde is in vrolijker kleuren. Daar zie je dansende en dronken matrozen in een café: een mooi, bijna abstract beeld van blauw-witte pakken en gele baarden tegen een paarse achtergrond. Ook daar was het meisje bij: ‘In Parijs is een café’, zegt ze, ‘daar dansen matrozen twee aan twee.’

Rose Marijke is getekend door een zo goed als vergeten illustratrice, Marietje Witteveen (1917-1999). Het boekje is in zeer kleine oplage gedrukt op beroerd papier en verscheen bij een uitgeverij die eigenlijk vooral spellen uitbracht. Het behoort tot de zes of zeven prentenboeken van Witteveen die tussen 1941 en 1950 zijn uitgegeven: vrijwel onbekend, maar o zo verrassend, zeker voor die tijd. Rose Marijke geeft een mooi beeld van kinderen en volwassenen in de jaren veertig, een tijd waarin, na de oorlog, alles opeens anders leek te worden. In Parijs komt Rose Marijke niet alleen met matrozen, maar ook met mooie dames in aanraking, die wonen in huizen vol muizen en al die muizen hebben vlooien. Bij Marietje Witteveen werd niet opgevoed, de wereld werd genomen zoals hij was: ietwat chaotisch maar vol blije mensen. Vooral de meisjes zijn grappig en sterk van geest en gaan uitermate vrij met volwassenen om.

Witteveen was, met haar contourloze illustraties, goed op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen in de moderne kunst. Ze tekende bijvoorbeeld in de jaren veertig ook het boek Simone en het zuurtje met felle, lichte kleuren en onorthodoxe composities die over de grenzen van de pagina’s lopen. Het zijn bladzijden vol beweging en kleur, de weinige woorden geven richting aan allerlei absurde gebeurtenissen die zich in het hoofd van – alweer – een klein meisje afspelen, een meisje in een hansopje. Alle boeken die Witteveen in deze stijl maakte, zijn verrassend modernistisch en absoluut niet moralistisch.

Na 1950 heeft Witteveen geen prentenboeken meer gemaakt. Haar carrière duurde nog geen tien jaar. De experimentele, constructivistische boeken over Karel en Minet (1950), die ze samen met kunstenaar Eddy Dukkers maakte, waren de laatste. Daarna verdween ze van het toneel.

Wie was die Marietje Witteveen, vroegen we ons af, tijdens het onderzoek voor het boek De verbeelders. En waarom stopte ze zo abrupt? Het was niet gemakkelijk veel over haar te vinden. We wisten dat ze op haar 21ste, in 1937, was afgestudeerd aan de Haagse kunstacademie, waar toen vernieuwers in de reclame lesgaven, zoals de latere verzetsman Paul Guermonprez. Dat kun je ook aan haar werk zien: het is groot gedacht. Het gaat om communicatie. Maar toen boekwetenschapper Jozefien de Leest de biografie van Witteveen ging reconstrueren, moesten we concluderen dat het waarschijnlijk het geijkte verhaal was: de illustratrice van Rose Marijke en Simone en andere wilde meisjes leefde een tijdje in het artistieke milieu van Amsterdam, maar trouwde vervolgens in Haagse kringen en begon daar een nieuw leven aan de zijde van een jurist, waarna het afgelopen was met haar carrière. Ze kreeg twee zonen. De oudste vertelt dat zijn moeder na zijn geboorte een hekel kreeg aan verf. Maar ook dat ze heel technisch was en opbloeide als ze in een overall onder haar auto kon liggen. Hij concludeert dat ze haar interessegebied blijkbaar had verlegd.

Bij de andere zoon ontdekte De Leest een aantal vrijwel voltooide maar nooit uitgegeven prentenboeken die hij tussen de paperassen in het ouderlijk huis had gevonden. Stapels bladzijden met inkt- en waterverftekeningen waartussen getypte tekstjes zijn geplakt en met aanwijzingen voor de drukker. Ze zijn nog origineler en gekker dan de boeken die we al kenden. Kinderen gooien hun vaders op de vloer. Of ze zetten een heel museum op zijn kop, laten deftige directeuren achter zich aan rennen, als ze dreigen de museumzalen vol water te laten lopen, ‘zodat de grote mensen zich aan de schilderijen moeten vasthouden’.

Waarom zijn die boeken nooit uitgegeven? Waren ze te antiautoritair voor hun tijd? Kon de ongelimiteerde vrijheid van de jaren direct na de oorlog niet langer? In de jaren vijftig deed natuurlijk de beschermde wereld van Jip en Janneke zijn intrede en was de brave burgerij de standaard. Jip en Janneke zijn wel ondeugend, maar komen niet in cafés en hebben geen vlooien, ze lopen op pantoffeltjes en sparen prentjes uit de havermout.

Er kan ook een artistieke reden hebben meegespeeld. Misschien waren Marietjes tekeningen, met soms bijna abstracte kleurvlakken, zonder contouren, te afwijkend van de opkomende Disneygolf, waar heldere lijnen juist een bepalende rol spelen. Misschien was haar werk te origineel.