Ongelijkheid draait om geld én om de jacht op status

‘Ongelijkheid’ is een heet hangijzer in het publieke debat. Ten onrechte gaat het gesprek vooral over geld, stelt Leon Heuts. Opscheppen, dát is het probleem.

Fotocollage nrc.next

Hoewel al weer enige tijd geleden, kan ik me nog goed herinneren hoe een klas-genootje in het eerste jaar van de middelbare school op een miezerige dag bijna achteloos een hemelsblauw regenjackje van Adidas aantrok. Het was op het Lorentz Lyceum in Eindhoven, een school waar de top van Philips zijn kinderen aan toevertrouwde. Kinderen die dan ook merkkleding droegen die ik nooit bezat. Ik keek naar het jasje, en ik wilde het hebben. Ik werd erdoor geconsumeerd: ik wás dat jasje.

Wat maakte dat jasje voor mij zo bijzonder? Was dat alleen maar het materiële bezit? Nee, er was meer. Wat het zo begeerlijk maakte, is dat niet ik ’t droeg, maar een ander. Het jasje stond voor iets – voor status. Het jasje drukte uit dat mijn klasgenoot hoger op de ladder van sociale hiërarchie stond dan ik. Waaróm was me niet echt duidelijk, de ordening op basis van status was volkomen vanzelfsprekend.

Ik denk dat mijn herinnering aan dat betoverende jasje iets wezenlijks zegt over ongelijkheid. In de huidige discussie over ongelijkheid gaat het vooral om geld, of bezit – een materialistische bril domineert onze blik. Dat is geen wonder, want economen voeren de discussie aan. Zie Thomas Piketty en zijn Kapitaal in de 21ste eeuw. De Franse econoom heeft dan ook een typisch materiële oplossing om ongelijkheid niet nog verder uit de klauwen te laten lopen: kapitaal zwaarder belasten. Maar volgens mij is dat maar een beperkt antwoord, en is het verschil in bezit of kapitaal eerder een gevolg dan de oorzaak van ongelijkheid.

Er is een diepere kracht werkzaam: de dominante betekenis van status, en de vanzelfsprekende rivaliteit die daarvan het gevolg is. Geld en spullen zijn maar één manier om die strijd te voeren. Waar het wezenlijk om gaat, is dat we verlangen naar wat de ander heeft, of hoe hij is – om uiteindelijk beter te zijn dan hij. Dat kan met een grote auto of vette baan. Maar er zijn ook andere manieren; de juiste festivals en culturele evenementen bezoeken kan een statussymbool zijn. Jong en begeerlijk zijn. Verre vakanties. Meer dan tienduizend followers hebben op Twitter. In nrc.next staan…

Vooropgesteld: daar is allemaal niks mis mee. Een zekere mate van competitie is prima, leuk en noodzakelijk, het haalt het beste in ons naar boven. Maar hang naar status dreigt tot de allesbepalende koers in onze samenleving te verworden. We houden onszelf gevangen in het verlangen de ander te overtreffen, dan wel de angst zelf te falen. Statusangst, noemt Alain de Botton dat, en hij vergelijkt het moderne ego met een opgeblazen ballon. Status is zo belangrijk dat één speldenprikje – een promotie van een collega – voldoende is om leeg te lopen in onzekerheid. Vooral mensen tussen de 25 en 45 jaar hebben het zwaar. In die tijd moet immers alles plaatsvinden. Media en reclames spiegelen ons de ideale ander voor, en impliciet spelen we dat tegen elkaar uit. Droomcarrière, fijne partner, kinderen, jong en slank blijven, een spetterend seksleven, een (te dure) loft in Amsterdam, en dat dan allemaal delen op Facebook. Geen wonder dat burn-out een hedendaagse ziekte is. Dat los je niet op met een pleidooi voor herverdeling, maar vraagt om een fundamentele morele herijking. Is dit een goed leven? Kan dat niet anders?

In de achttiende eeuw schetste politiek filosoof Jean-Jacques Rousseau, in het traktaat Het Vertoog over de ongelijkheid tussen mensen, al hoe het zo ver kon komen. Zijn analyse biedt op het eerste gezicht weinig hoop, want de oorzaak van de strijd om status is tamelijk fundamenteel. Namelijk dat we met anderen samen leven. Waar anderen op het toneel verschijnen, vertonen we de eigenschap bewonderd te willen worden. Amour-propre, noemt Rousseau dat: ijdelheid. Neem dat jasje van Adidas. Het bezit ervan is fijn, maar dat anderen ernaar verlangen, is nog veel fijner.

Volgens Rousseau ging het al mis toen de eerste mens een stuk land omheinde en zei: ‘Dit is van mij.’ In plaats van hem uit te lachen, geloofden we hem. Sterker nog: we gingen grotere stukken land opeisen om beter te zijn dan hij. Met alle gevolgen van dien: rivaliteit, conflict, zelfs oorlog. Rousseau: ‘Het zal je einde betekenen als je vergeet dat de vruchten van de aarde van ons allen zijn, en de aarde van niemand.’ Voor velen ruikt dat te veel naar goedkope patchouli-parfum van de hippiecommune uit de jaren zeventig. Maar wie Dit kan niet waar zijn van Joris Luyendijk heeft gelezen, weet hoe gevaarlijk het is als slechts weinigen alle vruchten bezitten – en we dat nog vanzelfsprekend vinden ook.

Als samenleven met anderen per definitie een gevecht om status met zich meebrengt, is het lastig nadenken over alternatieven. Toch biedt het inzicht van Rousseau ook het begin van een antwoord. Ten eerste is er voor iedereen altijd een relatieve ruimte te overwegen tot op welke hoogte je wilt meegaan. Maar er is nog iets. Volgens Rousseau kunnen we de ijdelheid ombuigen: van een oneindige strijd om status en bewondering naar de trots iets te betekenen voor de samenleving als geheel. Van individu en consument daadwerkelijk burger worden.

IJdel zullen we altijd blijven, en dat is ook niet erg, maar dit kan ook betekenen dat we gevoelig zijn voor de status iets voor anderen of de samenleving te betekenen. Er zijn tal van initiatieven denkbaar die onderlinge rivaliteit veranderen in een gezamenlijke strijd voor een betere samenleving, waarbij individuen nog steeds kunnen uitblinken. Zoals een economie ontwikkelen die is gebaseerd op delen of ‘open source’, een zogeheten ‘share economy’, waarin ook internet een rol speelt. Vrijwilligerswerk.

Trots schuilt ook in kleinschalige gezamenlijke projecten, van buurthuizen en collectieve zonnepanelen tot broodfondsen. Maar het betekent ook trots zijn op instituties die het algemene belang dienen, zoals zorg, scholen, universiteiten, musea, kunstinstellingen.

Het treft dan weer niet dat privatiseringen, rendementsdenken en het schrappen van subsidies, de vanzelfsprekende competitie hebben verschraald tot een slag om kwalitatief arme ‘resultaten’ als efficiëntie, hoeveelheid publicaties of bezoekersaantallen. Maar goed.

Naïef? Zoals ik zei: het is slechts het begin van een antwoord. Alle suggesties zijn welkom. En zijn die er niet, dan is mijn vraag: wat dan wel? Maar laten we eerst beginnen met een andere vraag. Willen we zo verder?