Kunst heeft publiek nodig

In feite zet de Raad voor Cultuur in zijn advies van vorige week de grondslag voor het Nederlands cultuurbeleid op de helling, betoogt Melle Daamen. De raad neemt afscheid van het romantische idee dat kunst uit zichzelf de moeite waard is. Het gaat om het publiek.

Illustratie Thomas Schats Illustratie Tomas Schats

Publiek was in het cultuurbeleid altijd een ondergeschoven kindje. Het is weliswaar een belangrijke legitimatiegrond voor cultuurbeleid, maar meer pro forma, omdat het hoort. Als het erop aankomt vormt publieke belangstelling in het cultuurbeleid van de laatste decennia zelden een reden voor overheidssteun aan de kunsten.

In de praktijk vormen ‘kwaliteit’, de canon en juist het ontbreken van genoeg publiek om op eigen benen te staan, een veel belangrijker criterium voor overheidssteun. Voormalig minister van Cultuur Elco Brinkman werd alom verguisd om zijn uitspraak dat „waar veel publiek komt kennelijk ook kwaliteit wordt geleverd”.

Uiteindelijk ging het om de intrinsieke waarde van de kunsten. De mate van publieke belangstelling was geen maatstaf. Het vorige maand verschenen rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid Cultuur herwaarderen gaat vrolijk door op die lijn. De andere adviesraad voor het overheidsbeleid, de Raad voor Cultuur, legt in zijn deze week verschenen advies Agenda Cultuur echter andere accenten en kiest voor publiek.

Dit advies is een vervolg op de afgelopen zomer verschenen Cultuurverkenning. Daarin schetst de raad een niet al te rooskleurig beeld van de kunstwereld. Zo signaleert de raad een cultuurbeleid dat amper op globalisering en verstedelijking anticipeert, achterblijvende private financiering, te weinig focus op verdieping en excellentie. Maar vooral opmerkelijk is de aandacht die de Raad voor Cultuur in de Cultuurverkenning geeft aan een afhakend publiek en de tweedeling in de publieke belangstelling voor canonieke/gesubsidieerde kunst aan de ene kant en populaire niet-gesubsidieerde kunst aan de andere.

Al in het eerste hoofdstuk van het advies Agenda Cultuur wordt afstand genomen van de intrinsieke waarde van kunst. De raad stelt niet de intrinsieke waarde, maar ‘schoonheid’ en ‘esthetische waarde’ van de kunsten centraal. Dergelijke waarden bestaan niet uit zichzelf maar kunnen slechts bestaan in de ogen en hoofden van mensen. „Deze waarden ontstaan omdat een persoon zich mentaal verbindt.”

Perceptie en beleving dus, in plaats van intrinsieke waarde. Dit lijkt een miniem verschil, maar in feite neemt de raad in zijn advies, heel voorzichtig en heel subtiel, afstand van het romantisch kunstideaal. Het is immers geen l’art pour l’art meer, maar l’art pour l’homme. Even verderop in het advies schrijft de Raad voor Cultuur „kunst gaat pas werken als het communiceert”, een uitspraak die niet past in het gangbare beleidsvocabulaire en die in strijd is met de intrinsieke waarde van kunst.

In de uitwerking is de Raad nog voorzichtig, maar niettemin kan worden gesproken van een breuk met het verleden. Opgemerkt wordt dat het onderscheid tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur vervaagt om eraan toe te voegen dat de laatste categorie ongeveer twee maal zo veel wordt bezocht als de eerste. Programmering en podia verdienen volgens de raad meer aandacht, omdat daar de brug naar het publiek wordt geslagen en nieuwe invulling wordt gegeven aan de gidsfunctie. Dat podiumkunsteninstellingen hun repertoire en bedrijfsvoering afstemmen op podia in het hele land wordt „toegejuicht”. Festivals verdienen meer steun omdat ze innovatief zijn in hun publieksbenadering.

Met het advies om in de toekomst meer initiatief bij de steden te leggen, breekt de raad met de vanzelfsprekende macht van de grote nationale kunstinstellingen. Diversiteit van publiek wordt weer terug op de agenda geplaatst. Toegankelijkheid wordt belangrijker geacht dan spreiding van de voorzieningen zelf. „Kunstinstellingen waarvan bijvoorbeeld het publiek sterk vergrijst of die niet in staat zijn nieuwe publieksgroepen aan zich te binden, dreigen draagvlak en mogelijk bestaansrecht te verliezen”, zo stelt de raad. Symfonische orkesten kunnen hun borst natmaken na zo’n opmerking, hoewel minister Bussemaker zich haast te zeggen: „Je hebt als overheid een verantwoordelijkheid te beschermen wat kwetsbaar is, ook als de bezoekersaantallen van bijvoorbeeld klassieke muziek dalen.”

Misschien nog wel het meest illustratief zijn de illustraties in het advies: in het boekje, rijk voorzien van foto’s, is geen kunstwerk te zien, vrijwel alleen maar foto’s van publiek dat naar kunst kijkt of amateurkunst beoefent.

Natuurlijk staat er in de Agenda Cultuur ook veel behartenswaardige braafpraat over talentontwikkeling, vernieuwing en jonge makers. De raad is dan ook niet revolutionair in zijn keuze, dat is ook niet zijn taak. Maar een begin is er. De Raad voor Cultuur heeft de durf publiek centraal te stellen en dat was lange tijd niet uit de mond van dit adviesorgaan van de overheid te horen. Het publiek, of het ontbreken ervan, is weer een serieus onderdeel van kunstbeleid.

Wijst dit nou op een definitieve breuk met de romantische idealen van de autonome kracht van de kunst? Nee, daarvoor staan er in het advies van de Raad te veel mitsen en maren.

Bovendien zou dat ook te veel eer zijn voor de ideologische diepgang van het Nederlandse kunstbeleid. Dat kenmerkt zich immers niet door een hoog filosofisch of ideologisch gehalte. Onze laatste ‘held’ op filosofisch gebied is Spinoza (1632). Thorbecke en Boekman – beiden politici –worden veel aangehaald, maar zijn geen Goethe of Voltaire of Schiller. En zeker geen Baricco, Foucault of Zizek. Ons kunstbeleid en het debat erover bevinden zich in een politieke luwte, met als vervelend bijgevolg maatschappelijke ambivalentie. Het is alleen daarom al goed dat de Raad voor Cultuur, heel voorzichtigjes misschien, de rol van de samenleving en het publiek betrekt bij de gewenste inrichting van het kunst- en cultuurbeleid in de toekomst.

En het is ook goed dat hij de eeuwige dooddoener van de ‘intrinsieke waarde van de kunsten’ relativeert. Want als de kunst eerst en vooral de waarde uit zichzelf moet halen, dan is dat uiteindelijk wel een erg zwakke basis voor overheidssteun. Kunst werkt inderdaad pas als het communiceert. En als grote delen van het publiek geen aansluiting meer vinden bij de gesubsidieerde kunsten, dan is er toch werkelijk een probleem voor die kunsten. Want kunst – intrinsiek of niet – die niet gezien wordt, niet beweegt, aansluiting bij nieuw publiek verliest, die leeft niet lang. En bovenal niet gelukkig.

Correcties en aanvullingen

Raad voor Cultuur

In Kunst heeft publiek nodig (16/4, p. C8) had moeten staan: „Al in het eerste hoofdstuk van het advies Agenda Cultuur relativeert de Raad voor Cultuur de intrinsieke waarde.”