Column

Joris in de City

Zouden ze wel komen? Joris Luyendijk ging dinsdagavond in het hart van de Londense City de confrontatie aan met de bankiers die hij in Dit kan niet waar zijn beschrijft. In de Dutch Church, ingeklemd tussen de Bank of England en Lloyds. „Ik hoor de hele tijd dat insiders kritisch zijn over mijn boek”, zegt Luyendijk voorafgaand aan zijn optreden. „Maar mij zeggen ze nooit iets.”

De kerk zit vol met jonge mannen en vrouwen – onder de 45 jaar, net als de bankiers die Luyendijk twee jaar lang in de City ondervroeg.

Halverwege de avond staat de eerste bankier op. Het is een vrouw van achterin de twintig met blonde krullen. Luyendijk heeft net dingen gezegd als: „Een restaurant dat crap serveert, gaat failliet. Waarom gebeurt dat niet met banken?” En: „Bankiers vertelden mij dat ze aan wanen leden. De financiële wereld is niet alleen hun werk, maar ook hun leven geworden.”

„Veel van wat je schrijft is waar”, zegt de bankier. „Maar je generaliseert. Er zijn afdelingen zoals transaction banking die strategisch goed functioneren. Er zijn bankiers die integer handelen. Die kom ik in jouw verhaal niet tegen.” Ze werkt als junior bij een grote bank.

„Wacht even”, antwoordt Luyendijk en hij grijnst. „Dan zeg je dat ik monsters portretteer. Ik was juist getroffen door hun fatsoen. Geen van hen werd gedreven door hebzucht.”

Hij pleit voor wetten die het „amoreel bankieren” onaantrekkelijk maken. Nu hij bankiers decent heeft genoemd, durven er meer hun vinger op te steken met een vraag. Bankiers moedigt hij aan („Stop met het demoniseren van bankiers”), economen en controleurs fakkelt hij af („Het zorgwekkende is dat mensen als u geen alarm slaan”).

Na afloop staat de junior met de blonde krullen bij de tafel met boeken waarachter de schrijver signeert. Ze is in gezelschap van twee vriendinnen die bij weer andere megabanken in de City werken. Ze lopen op naaldhakken en aan hun rechteronderarm bungelen fijne leren tassen.

„Joris projecteert het soepele ontslagrecht in de Angelsaksische landen uitsluitend op de bankiers”, zegt een van hen, die haar haren in een Franse staart draagt. „Maar iemand die hier bij Starbucks werkt, heeft even weinig job security. Waarom zou je een bankier meer zekerheden geven dan iemand in een koffiebar?”

„Intussen trekt hij wel de conclusie dat wíj zwaar amoreel zijn”, zegt de bankier met de blonde krullen.

„Hij eigent zich mijn leven toe”, zegt de Franse staart opgewonden. „Hij vertelt hoe het eraan toegaat in mijn leven, maar besteedt nul aandacht aan de complexiteit van de materie. Mag een verzekeraar geen derivaten meer kopen van een bank omdat de samenleving die tak van sport te moeilijk vindt?”

De derde vrouw met lang blond haar heeft even meegeknikt, nu wendt ze zich tot de schrijver. „Ik ben het met je eens”, zegt ze tegen Luyendijk. „Het systeem is mislukt. Het is bureaucratisch, arrogant en alle feedback is negatief. Ooit wilde ik de nieuwe topvrouw worden. Ik ben rijk, maar dit past niet bij mij. Ik heb besloten om bij mijn bank te vertrekken.”

Hij deinst even terug maar zegt dan: „Mijn stamp of approval heb je.” Ze lacht. „Ik wil iets doen voor de wereld. Ik ga me verdiepen in opkomende economieën.”

„De mensen die weggaan”, antwoordt hij, „zijn de gelukkigste.”

Haar vriendinnen schudden hun hoofd. Zij blijven bankier. Ze vervangen hun naaldhakken door sneakers en verdwijnen in de kleine straatjes.