Iedereen houdt van ‘Sint Neil’

Zelfs een vertrek naar Duitsland verandert niets aan de liefde van Britten voor Neil MacGregor, de Schot die het British Museum weer glans gaf. Portret van de meest geliefde museumdirecteur ter wereld.

Neil MacGregor Foto Hollandse hoogte

Toen Neil MacGregor dertien jaar geleden verkaste van de National Gallery naar het toen bijna failliete British Museum, vertelde hij zijn collega-directeuren op het Europese vasteland: „Mijn werk ging altijd over kunst. From now on, it will be about politics.”

De Schot uit Glasgow begreep dat eruditie, kunstliefde en enthousiasme niet genoeg waren om het British Museum weer op de rails te krijgen. Handig politiek manoeuvreren was het devies.

De situatie was ernstig; het museum was uit de gratie bij pers, publiek en politiek. Het personeel morde en de organisatie rammelde. Tot overmaat van ramp werd in zijn eerste week als directeur een 2.500 jaar oud Grieks marmeren beeldje gestolen, uit een van de vele destijds gesloten museumvleugels. „Gejat uit een rovershol”, was het cynische commentaar in de pers.

Maar het lukte. Veelbesproken tentoonstellingen vervingen een miljoenenschuld. Via uiterst succesvolle tv- en radio-optredens creëerde MacGregor een groot verlangen onder Britten naar objecten die even tevoren waren afgedaan als oudbakken, roofbuit, of simpelweg stoffig en oninteressant. De bezoekersaantallen stegen van 4,6 miljoen in 2002 naar 6,7 miljoen in 2014. Daarmee was het British Museum het best bezochte museum ter wereld op het onverslaanbare Louvre in Parijs na.

Sint Neil

Opvallend is dat MacGregor in een gelaagde samenleving als de Engelse, een toon weet aan te slaan die iedereen bevalt. De zoon van dokters uit een Schotse achterstandswijk, die in 1999 een ridderschap weigerde, wordt geprezen door zowel City-bankiers als Labour-politici. En zo is hij uitgegroeid tot ‘the man who turned around an institution’, zoals afgelopen week te lezen viel, na zijn aangekondigde afscheid, in talloze Britse publicaties, van rechts tot links, van roddelblad tot kwaliteitskrant. Kunstcriticus Jonathan Jones: „Het is moeilijk te herinneren hoe irrelevant het British Museum leek voor Neil MacGregor het redde.” Bestsellerauteur Tom Holland: „De enige die meer gedaan heeft voor een beroemd Brits instituut is de koningin.”

De bijnaam Sint Neil had hij al gekregen in de National Gallery. Heilig, vanwege zijn populariteit, en zijn religiositeit. MacGregor is een kerkgaande anglicaan, die door een ‘ervaring’ tot de kunst kwam. Hij was negen jaar oud en zag een door Dalí geschilderde kruisiging die door de gemeente Glasgow was aangekocht. De jonge MacGregor kreeg de kaart ervan, die decennialang bij zijn bed is blijven staan.

Inmiddels is de 68-jarige een heilige voor gans het koninkrijk. Toen de eerste geruchten kwamen dat hij naar Duitsland zou vertrekken, stelde een columnist van The Guardian zelfs voor MacGregor op een lijst te zetten van culturele producten die het land niet mogen verlaten.

Die geruchten werden aangejaagd door de BBC-optredens die MacGregor vorig jaar wijdde aan 600 jaar Duitse geschiedenis. Hij deed dat op dezelfde manier als zijn wereldgeschiedenis, aan de hand van voorwerpen. Er kwam ook een tentoonstelling Germany: Memories of a Nation. Zijn fascinatie én liefde voor Duitsland bleken eruit. Een Britse commentator doopte de expositie: ‘Zis is ze good Germany’.

En verontruste fans kregen gelijk: MacGregor zal vanaf januari een commissie leiden die vorm geeft aan het Humboldtforum in Berlijn, een prestigieus kunstcomplex dat in 2019 de deuren opent. Ook in Duitsland blijkt MacGregors status zo groot dat de kritiek aldaar op het 600 miljoen euro kostende complex direct (of voor even) verstomde met het nieuws van zijn komst.

Wereldcultuur

Hoe kon de Schot uitgroeien tot de meest geliefde museumdirecteur ter wereld? Waarschijnlijk door de eigenschappen die hem worden toegedicht door de mensen die met hem werken: charisma, politieke handigheid, eruditie, enthousiasme. Maar het komt zeker ook door een gave die wij, zijn publiek, allemaal kunnen zien: zijn vermogen de maatschappelijke betekenis van objecten naar voren te halen en ze te presenteren in een samenhangend en, belangrijker nog, overtuigend verhaal. Misschien heeft het geholpen dat hij onder meer filosofie heeft gestudeerd, in Parijs, en dat hij een tijdje als advocaat heeft gewerkt, in Glasgow. Daardoor is hij niet al te zeer gericht op de esthetische waarde van objecten. Zowel bij een Volkswagen Kever als bij de Steen van Rosetta vraagt hij zich af: wat heeft dit ding gedáán? Voor ons en voor onze voorouders?

Door zijn gevoel voor de politiek-maatschappelijke betekenis van objecten ontwikkelde hij ook een werkbare visie op roofkunst, het grote probleem waar het British Museum mee in de maag zit. De collectie komt uit alle windstreken waar Engelsen in de geschiedenis de overhand hadden, door verovering, list of handel. Maar van een koloniale opslagplaats, of „zeeroversmagazijn”, zoals W.F. Hermans het museum ooit noemde, wist MacGregor er een multiculturele tempel van te maken, eentje die de menselijke beschaving viert, niet het Britse imperium. MacGregor verzet zich, zoals hij dat noemt, tegen de „toe-eigening tot nationale politieke symbolen van de voortbrengselen van de antieke, of welke beschaving ook”.

Het British Museum toont het cultureel erfgoed van de wereld, aldus MacGregor, niet die van een bepaalde natie. Dat is ook zijn antwoord aan Athene, waar ze de Akropolisbeelden terug willen die twee eeuwen geleden door Lord Elgin naar Engeland werden gehaald.

Onder MacGregors bewind is dus de oeroude grap intact gebleven dat er in het British Museum weinig Brits is te vinden. Wat hij wel heeft veranderd is de schaamte daarover, die hij heeft weggenomen, terecht of niet. Met de ‘ontnationalisering’ die hij bewerkstelligde, maakte hij paradoxaal genoeg de Britten opnieuw trots op ‘hun’ instituut.

Dat is geen geringe prestatie. Het is niet voor niets dat Duitsland, waar schaamte het gesprek over de eigen geschiedenis domineert, reikhalzend naar zijn komst uitkijkt.