Hoon voor baas die maar even te veel verdient

Sinds de kredietcrisis zijn bij (semi)publieke bedrijven de beloningen versoberd. Maar in de praktijk is hier nog wel (of nog even) omheen te zeilen.

De balkenendenorm, het verlaagde bonusplafond, de crisistaks en de automatische hoon van politici en vakbonden als de beloning van topmanagers maar even lijkt af te wijken van het normale. Je moet er maar tegen kunnen als je de baas wil zijn van een grote onderneming – en zeker van een bedrijf waar de overheid enige zeggenschap over heeft.

Zoals elk jaar in het jaarverslagenseizoen stak er ook dit voorjaar een beloningsstormpje op. Mikpunt van kritiek dit keer: topbestuurders van staatsdeelnemingen. Onder politieke druk – de lang verwachte beursgang werd tot nader order uitgesteld – en maatschappelijke ophef leverde ABN Amro een eerder afgesproken loonsverhoging van een ton in. En deze week bekritiseerde de minister van Financiën, Jeroen Dijsselbloem, live op tv de bonus van 370.000 euro van Schipholtopman Jos Nijhuis. Maar hij zei er meteen hetzelfde bij als hij bij de staatsbank had gedaan: ik vind het moreel gezien mwah, maar hoewel ik grootaandeelhouder ben kan ik er bestuurlijk niets aan doen.

Dat klopt. In de afgelopen jaren zijn er over beloningen binnen staatsdeelnemingen duidelijke afspraken gemaakt tussen bedrijf en aandeelhouder, soms zelfs wettelijk vastgelegd. En hoewel die beloningen daarbij zeker aan banden zijn gelegd – lees: versoberd – is daar op verschillende manieren nog wel of nog even omheen te zeilen. Bijvoorbeeld met afgesproken compensatieregelingen (ABN Amro), een overgangsregeling (DNB) of arbeidscontracten die dateren van vóór de afspraken (Schiphol). In 2008 heeft het kabinet vier categorieën voor staatsdeelnemingen geformuleerd, zo blijkt uit een recent rapport van de Algemene Rekenkamer, met elk een eigen beloningsregime.

Categorie 1: ‘Publiek’

Voor staatsdeelnemingen met een puur publieke functie – denk aan De Nederlandsche Bank (DNB), de Koninklijke Nederlandse Munt en Prorail – geldt de facto de balkenendenorm. De officiële wet daarvoor, de Wet normering topinkomens (Wnt), geldt weliswaar niet voor instellingen die volledige in staatshanden zijn, maar het maximum ligt wel op 187.340 euro, exclusief onkostenvergoedingen en pensioenbijdragen.

Categorie 2: ‘Publiek/Markt’

Staatsdeelnemingen met een commercieel karakter maar die niet volledig als marktpartij worden beschouwd. Voorbeelden: Bank Nederlandse gemeenten, Holland Casino, Gasunie en de Staatsloterij. De topinkomens hier zijn gemaximeerd op 350.000 euro, plus een maximale bonusmogelijkheid van 20 procent van het vaste salaris.

Categorie 3: ‘Markt/Publiek’

Bij deze staatsbedrijven, waarin de overheid niet overal 100 procent van de aandelen houdt (NS, Schiphol, Gasterra, het Rotterdamse Havenbedrijf), wordt het basissalaris overgelaten aan de markt. Ergo: er is geen maximum afgesproken, maar net als bij categorie 2 geldt een bonusplafond van maximaal 20 procent. Die norm heeft het kabinet in 2013 in zijn nota Deelnemingenbeleid geformuleerd, waarbij het nadrukkelijk niet de bedoeling is dat de betrokken bedrijven „ieder jaar de maximaal haalbare variabele beloning uitkeren”. De bonus moet „niet vanzelfsprekend” zijn.

Categorie 4: Financiële instelling

Voor de met belastinggeld geredde of geholpen banken en verzekeraars (ABN Amro, SNS Reaal maar eerder ook ING en Aegon) geldt de strikte stelregel: zo lang er nog staatssteun inzit, geen bonussen. Nu mocht men dat verbod wel compenseren met een verhoging van het vaste salaris met 20 procent – daarover ging de recente rel bij ABN Amro. Als de staatsbanken straks weer op de markt komen geldt inmiddels een nieuwe beperking: bonussen van (bijna) alle financiële instellingen mogen niet hoger zijn dan 20 procent van het vaste salaris.