Hoe bescherm je erfgoed tegen IS?

Internationale erfgoedspecialisten krijgen deze maand op diverse locaties in Nederland een training om kunst en erfgoed bij rampen en conflicten beter te beschermen. „Telefoons uit, dit is een geheime missie!”

Boven: IS verwoest het Nineveh Museum van Oudheden. Onder:Boeddha van Bamyan, voor en na.

‘De rebellen staan voor de deur. Opschieten, jullie hebben maar twee uur.” Twintig erfgoedspecialisten, gekleed in oranje veiligheidsjassen, schuifelen door de kamers van het fictieve ‘Aquasia Museum van Etnologie’. De westelijke vleugel van het museum moet binnen twee uur ontruimd zijn. „Om zes uur nemen wij het gebouw over”, roept de legerkolonel. „We zullen deze strategische locatie als ons nieuwe hoofdkwartier gebruiken.”

De ontruiming lijkt echt, maar de ‘kunstobjecten’ – kapot servies, schilderijen gemaakt door kinderen en een Pocahontas-videoband – verraden dat het om een oefening gaat. De ontruiming op de tweede verdieping van het Tropenmuseum in Amsterdam is onderdeel van een training. ‘Eerste hulp bij Cultureel Erfgoed in tijden van Crisis’ wordt voor de vierde keer georganiseerd door ICCROM, een intergouvernementele organisatie voor het beschermen van cultureel erfgoed, voor het eerst in samenwerking met de Nationale Unesco Commissie en museum en onderzoeksinstituut het Smithsonian Institution. Erfgoedspecialisten uit twintig landen zijn naar Nederland gekomen om in vier weken te leren wat zij praktisch kunnen doen om erfgoed te beschermen bij natuurrampen of menselijke conflicten. Ze volgen workshops over het evacueren, stabiliseren en repareren van kunstwerken en gebouwen.

De verwoesting van cultureel erfgoed door rampen en oorlog is van alle tijden, maar veel erfgoed wordt bedreigd sinds de opkomst van Islamitische Staat. In de eerste maanden van 2015 verwoestten IS-militanten het Nineveh Museum van Oudheden en ruïnestad Nimrud in Irak. De beeldenstormers verdienen ook geld aan de handel in archeologische objecten. Dit soort rebellen trekt zich niets aan van internationale verdragen, zoals de Haagse Conventie voor de Bescherming van Cultuurgoederen bij Gewapende Conflicten uit 1954. Vandaar de cursus.

Met pen en papier in de hand lopen de deelnemers door de zeven aaneengesloten kamers, die de vleugel van het museum voorstellen. De eerste opdracht is evacuatie. Alle kunstobjecten, in kasten, op de grond of aan de muur, moeten worden gedocumenteerd, gelabeld, ingepakt en naar een veilige ruimte worden gebracht.

De opdracht is fictief, maar alle deelnemers hebben soortgelijke situaties meegemaakt. Overstromingen in Guatemala, Argentinië en Servië, branden in de Filippijnen en Bhutan en plunderingen en verwoestingen in Afghanistan, Syrië en Mali. Sommigen vertellen succesverhalen over handelen in een crisissituatie, anderen vragen om hulp. Zo vertelt de Georgische erfgoedspecialiste Mariam Kalkhitashvili dat de Georgische orthodoxe kerk in Ilori verkeerd is gerestaureerd onder het gezag van de tegenwoordig onafhankelijke republiek Abchazië, waardoor traditionele Georgische inscripties zijn verdwenen en een koepel in Russische stijl is geplaatst.

„Wie maakt de documentatielijst voor deze kamer? En waar is de rest van de groep?” De aangewezen coördinator voor de evacuatie, de Mexicaanse erfgoedspecialist Lucía Gómez Robles, loopt driftig van de ene naar de andere kamer. Bij verschillende groepjes staat ze stil om te overleggen. „Twintig culturen moeten met elkaar samenwerken, terwijl ze elkaar drie dagen kennen”, lacht Agnes Brokerhof van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. „Maar in een echte crisissituatie zullen ook communicatieproblemen ontstaan met buitenlandse hulporganisaties.”

„Quiet!,” roept coördinator Gómez Robles na drie kwartier. „Jongens, we communiceren niet. Alle lijsten zijn af, we moeten beslissen welke collectie het belangrijkst is.” Gómez Robles kijkt met een vragende blik naar Aparna Tandon, een van de initiatoren van de cursus. „Vraag het je museumdirecteur”, antwoordt ze.

De Indiase Rohit Jigyasu, werkzaam bij Unesco, wandelt binnen in zijn rol als museumdirecteur. Begeleiders spelen fictieve personen, met wie deelnemers in echte situaties ook te maken krijgen: museumdirecteur, burgemeester of legerkolonel. „Ik vind alles in de collectie even belangrijk”, zegt Jigyasu onbehulpzaam. Achter hem loopt de zogenaamde conservator, Cori Wegener van het Smithsonian Institution. „De ‘China collection’ is het belangrijkst”, zegt zij. „De Chinese collectie!”, roept Gómez Robles naar de deelnemers. „Nee, niet het land China”, lacht Wegener. „China – Engels. Het servies.”

„Nu voelt het misschien nog niet als een echte dreiging,” zegt Brokerhof, „maar we proberen de spanning in de cursus op te bouwen.” De tweede week worden alle spullen die de deelnemers nu in veiligheid brengen van het dak gegooid, en moeten ze die daarna repareren. In samenwerking met Stichting Stadsherstel Amsterdam zullen de deelnemers ook leren metselen en steigers bouwen, om instortende kunstwerken te ondersteunen. Tijdens de eindopdracht zullen de deelnemers in een fort – te midden van gasexplosies, overstromingen en rondrennende militairen – hun kennis in praktijk brengen.

De opgedane kennis kan na de cursus worden gedeeld. Zo vertelt oud-deelneemster Sada Mire, archeologe in Somaliland: „Lokale bewoners zijn de eigenaren van lokaal erfgoed. Doordat deze kennis breder bekend raakt, konden inwoners van Somaliland op eigen initiatief dieven van versierde grafstenen opsporen.”

„Er staan allemaal foto’s op Facebook, hoe kan dit?” De zogenaamde burgemeester, gespeeld door Catherine Antomarchi van ICCROM, komt binnengestormd. „Dit is een geheime missie!” Gómez Robles snelt toe en bedaart haar. „Alle telefoons uit of weg. En geen gebruik meer maken van internet!” Met nog vijftien minuten op de klok lopen de deelnemers steeds sneller. Terwijl de laatste dozen worden ingepakt, glipt Brokerhof langs de kandidaten met iets onder haar vest. „Er huist een dief in het museum”, licht ze fluisterend toe. „Daar moeten ze ook op letten.”

Zes kratten, zeven dozen en vijf schilderijen worden in de laatste vijf minuten naar de veilige ruimte op de begane grond van het Tropenmuseum gebracht. Op de trap hebben begeleiders zich langs de muur opgesteld om de historische fresco’s te beschermen, aangezien Tropenmuseum-conservator Martijn de Ruijter bang is dat de dozen de muur beschadigen. Het laatste, lange schilderij komt bijna vliegend de trap af. „Pas op de hoeken”, roepen de begeleiders. In de laatste minuut verzamelen alle deelnemers zich in de veilige ruimte. De deur kan dicht, net voordat de rebellen het museum bereiken.