Column

Goedgelovig

De onlangs uitgekomen biografie Wally Tax door Rutger Vahl heeft als ondertitel: ‘Leven en lijden van een outsider.’ Dat slaat uiteraard op Tax zelf, maar heeft wat mij betreft ook betrekking op zijn beste vriendin, de schrijfster Laurie Langenbach.

Haar lot trof mij meer dan dat van Tax, die in hoge mate zelf om zijn narigheid gevraagd had. Tax hielp zijn carrière als popzanger om zeep door van meet af aan te veel drugs te gebruiken. Hij stierf in 2005 eenzaam in zijn woning in de Amsterdamse Blasiusstraat toen zijn leven allang in een uitzichtloze chaos was gestrand. „Niemand kon zo goed zijn eigen ruiten ingooien als Wally Tax”, schrijft de biograaf.

Laurie Langenbach is ook debet aan haar eigen ondergang, maar zij werd vooral slachtoffer van haar goedgelovigheid. Zij vertrouwde de sluwe kwakzalvers die haar aanpraatten dat zij van haar baarmoederhalskanker zou genezen als ze maar hun macrobiotische diëten volgde. Haar lot is vergelijkbaar met dat van de actrice Sylvia Millecam, die ook reguliere hulp afwees toen ze aan borstkanker leed en haar toevlucht zocht bij kwakzalvers als Jomanda en allerlei acupuncturisten.

Langenbach was een beginnende journaliste-schrijfster toen ze een relatie kreeg met Wally Tax. In die jaren voerde ze ook een (niet door Vahl genoemde) briefwisseling met Heere Heeresma, later gebundeld in Hier mijn hand en dáár je wang. Het is een vrij wezenloos boekje, omdat Heeresma de correspondentie niet erg serieus leek te nemen. Langenbach wél – voor haar was het een kans aandacht te krijgen in de literaire wereld. Later zou ze enkele romans schrijven en ook regelmatig in NRC Handelsblad over sport publiceren.

In haar debuut Geheime liefde uit 1977 beschreef ze haar (onbeantwoorde) liefde voor schaker Jan Timman. Daarna valt ze voor Tax. „Over het gesmede hek van het balkon hangen jouw T-shirt en jouw spijkerbroek te drogen”, schrijft ze hem op 1 mei 1978. „Als ik ernaar kijk huiver ik bij het besef van jouw kwetsbaarheid.”

Langenbach stierf, 37 jaar oud, al in 1984 na een lijdensweg die door Vahl – net als de rest van het boek – uitstekend gedocumenteerd wordt. Haar naïviteit werd genadeloos geëxploiteerd door de kwakzalvende goegemeente. Zij onderging een behandeling (Okido-yoga, vernoemd naar de Japanse grondlegger Oki) in het nog steeds bestaande Kushi Instituut in Amsterdam, waar de vorig jaar overleden Adelbert Nelissen de leiding had. Hij was dezelfde ‘genezer’ die José Krijnen, de eerste vrouw van Roel van Duijn, reguliere behandeling van haar baarmoederhalskanker onthield. Het gerechtshof van Den Haag veroordeelde Nelissen daarvoor tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van een half jaar.

Langenbach consulteerde ook kwakzalvers in België en Italië en reisde zelfs met Tax naar Japan: het centrum waar Oki zijn op yoga, zenboeddhisme en macrobiotiek gebaseerde filosofie uitdroeg. Het werd een hartverscheurend drama. Langenbach en Tax krijgen vrijwel niets te eten en moeten zware oefeningen doen; dit alles tegen grove betaling. Langenbach verzwakt met de dag en heeft veel pijn.

Dan krijgt de geschiedenis een ironische wending. De Japanse kwakzalvers, die eerst ontkend hebben dat Langenbach kanker heeft, adviseren haar een reguliere behandeling. Maar dan is het te laat. In Nederland krijgt ze te horen dat de kanker te ver is uitgezaaid.