De ondernemer en het Wereldmuseum

In 2001 werd Stanley Bremer door burgemeester Opstelten naar Rotterdam gehaald als de man die het oude Volkenkundemuseum nieuw elan moest geven. Nu is het museum bijna failliet, en Bremer in problemen.

Wereldmuseumdirecteur Stanley Bremer kreeg weinig steun voor zijn commerciële plannen. Foto Karoly Effenberger

Rob Hogendoorn voelde zich zeer ongemakkelijk tijdens de opening van de expositie Tibet en de 14 Dalai Lama’s, in het Wereldmuseum in Rotterdam. Het was zaterdag 4 juni 2006 en de dalai lama-kenner van de Universiteit Leiden, die in India nog tussen de Tibetaanse monniken had gewoond, wilde dat hij museumdirecteur Stanley Bremer nooit had ontmoet.

Bremer had, om de opening luister bij te zetten, de voltallige Nederlandse boeddhistische gemeenschap uitgenodigd, en de Rotterdamse nouveau riche. De toen nog gevierde museumdirecteur had kort daarvoor de pers verteld dat de Chinezen hadden geprobeerd zijn tentoonstelling te censureren, wegens pro-Tibetaanse teksten. En dat hij zijn poot stijf had gehouden.

„Het was een gênante vertoning”, zegt Hogendoorn, die had geholpen met de voorbereidingen. „Er was een tempeltje ingericht, en Bremer had geregeld dat een echte Tibetaan dat zou inzegenen. Die arme lama moest zijn kunstje doen, net zoals ze in de koloniale tijd een inboorling op de kermis toonden. Al die nette vrouwen waren door het dolle; zij vinden Tibetaanse monniken erotisch. Maar mijn maag draaide zich om: dit was alles wat het museum niet moest zijn. Hier werd de inhoud verkocht aan de commercie.”

Ook in zijn vorige baan, als directeur van het Maritiem Museum op Curaçao, was Bremer (1952) niet vies van een publiciteitsstunt. Hij studeerde museologie in Leiden, werkte als vormgever, en zette een succesvol museaal projectbureau op dat kant-en-klare tentoonstellingen produceerde.

In 2001 haalde burgemeester Ivo Opstelten Bremer van Curaçao naar Rotterdam, om het voormalige Museum van Land- en Volkenkunde van nieuw elan te voorzien. Het museum, gevestigd in het imposante oude clubgebouw van de Koninklijke Yachtvereniging aan de Maas, moest mee in de vaart der volkeren. Bremer zou deze taak als cultureel ondernemer op zich nemen.

Eenvoudig was zijn opgave niet. De gemeente Rotterdam wilde, in lijn met de tijdgeest, bezuinigen op het museumbudget en tegelijkertijd pronken met een ondernemend cultuurbeleid. Van Bremer werd verwacht dat hij met een commerciëlere koers voor extra inkomsten en meer publiek zou zorgen. Hoe hij dat deed, mocht hij in grote mate zelf uitzoeken.

Bremer haalde de banden aan met reisbureaus, met de Rotterdamse zakenelite en met een keur aan kunsthandelaren. Ook de horeca had zijn warme interesse. Hij lobbyde voor een chic restaurant in zijn pand, dat er uiteindelijk ook kwam.

Ook wilde hij een Boutique Hotel in het kantoorgedeelte vestigen, en zag hij een taak weggelegd als matchmaker tussen museumliefhebbers. Zo beschrijft hij in zijn laatste beleidsplan zijn voornemen om samen met datingbureaus een ‘dating tour’ aan te bieden in het Wereldmuseum: een museaal datingpakket, inclusief romantisch diner voor twee.

Commercieel was er niets te gek voor Bremer, zeggen de betrokkenen met wie deze krant de afgelopen dagen sprak. Maar op liefde voor zijn museale taak hebben weinigen hem kunnen betrappen, aldus een voormalig conservator. „Toen hij binnenkwam werkten er zeker 100 mensen; nu nog negen. Stuk voor stuk zijn de conservatoren ontslagen, net als vrijwel alle andere mensen met hart voor de collectie. De sfeer werd steeds grimmiger. Het personeel werd tegen elkaar uitgespeeld, en er werden dossiers opgebouwd om mensen weg te krijgen.”

Afrika-collectie in de verkoop

Bremers zakelijke strategie werkte matig. Na de verzelfstandiging van het museum in 2006 en de ingrijpende verbouwing in 2007, waarbij de mooiste delen van het pand werden omgebouwd tot restaurant en zalencentrum, vielen de bezoekersaantallen tegen. De gemeente was echter onverbiddelijk: talrijke verzoeken om bij te springen werden terzijde gelegd. Bremer was ‘cultureel ondernemer’ en moest zijn eigen boontjes doppen.

En zo kon het gebeuren dat de museumdirecteur zijn oog liet vallen op de grootste schat: de eigen collectie van het Wereldmuseum. Die was sinds de 19de eeuw bijeengebracht en onderhouden door een bonte collectie van havenbaronnen, maatschappelijk betrokken Rotterdammers en links geëngageerde vrijwilligers met een zwak voor de (voormalige) koloniën.

De unieke collectie was tientallen miljoenen waard, zo werd Bremer verteld door de vele kunsthandelaren die hij over de vloer kreeg. Dat leidde ertoe dat hij in 2011 de Afrika-collectie in de etalage zette. Bremer wilde de kunstwerken verkopen, en de geraamde opbrengst van tientallen miljoenen storten in een fonds waaruit hij jaarlijks zou kunnen putten.

Bremer deed dat op een hem typerende wijze. De Afrika-zaal, waar eerst bezoekers rondliepen, ging op slot. Alleen potentiële kopers werden er nog rondgeleid. Al snel deden allerlei namen van handelaren en bemiddelaars de ronde: de Spaanse kunsthandelaar Antonio Casanovas werd regelmatig gezien in het museum, en ook de Britse handelaar Lance Entwistle zou de collectie graag willen overnemen.

Bij het selecteren van de stukken die hij wilde ‘ontzamelen’ liet Bremer zich ook adviseren door handelaren. Zij richtten tentoonstellingen in, maakten audiotours voor het museum en schreven catalogi.

Daarbij maakten Bremer gebruik van de status van het museum. „Als een kunstwerk in het Wereldmuseum heeft gehangen, wint het aan waarde”, zegt een oud-conservator. „De zichtbaarheid en betekenis van de objecten nemen toe, en dat leidt tot hogere prijzen op de markt. Bremer wist dat drommels goed.”

Bremers commerciële koers viel slecht bij andere volkenkundige musea in Nederland. Toen de Stichting Volkenkundige Collectie Nederland in 2011 Bremer aansprak op zijn verkoopplannen, vond hij dat gezeur en stapte uit dit samenwerkingsverband. „Als je naar een voetbalclub gaat en je voelt je er na een jaar nog niet thuis, dan ga je eraf”, motiveerde hij die beslissing.

Diverse verzamelaars, van oudsher de steunpilaren van het museum, trokken zich terug. Zo kreeg Bremer ruzie met hoogleraar en collectioneur Piet Sanders, die tevergeefs probeerde zijn schenking van vijftig kostbare Afrikaanse objecten terug te draaien. Sanders overleed in 2012, zonder dat het conflict over de schenking was opgelost.

Daarop volgden de musea. Sjarel Ex van Museum Boijmans Van Beuningen stuurde in 2012 een brandbrief naar de gemeente. Met zijn gedrag joeg Bremer potentiële schenkers weg van de musea, schreef Ex.

De verkoopplannen van Bremer werden uiteindelijk afgeschoten, zonder dat er een oplossing in zicht was voor de benarde financiële situatie bij het museum. Het was te danken aan een serie publicaties in De Groene Amsterdammer, en aan beeldend kunstenaar Olphaert den Otter, dat de Rotterdamse politiek zich weer voor het museum ging interesseren.

Den Otter startte afgelopen najaar de ‘Publieksactie Wereldmuseum’ op Facebook, en kreeg binnen een paar weken steun van iedereen in de kunstwereld die zich het afgelopen decennium had geërgerd aan Stanley Bremer en de opstelling van de gemeente Rotterdam. Den Otter ontving informatie van een groot aantal insiders, en vond in kunsthandelaar en gemeenteraadslid Ruud van der Velden (Partij voor de Dieren) een sterke medestander.

Het duo bestookte het museum en de gemeente met vragen, en wist in korte tijd twee onderzoeken af te dwingen. De eerste, van Gitta Luiten, is sinds dinsdag gereed en oordeelt vernietigend over Bremer. De tweede, van de Rotterdamse Rekenkamer, verschijnt volgende week – en zal naar verwachting harde conclusies bevatten over de achteloze manier waarop Rotterdam met het Wereldmuseum is omgegaan. Bremer zelf wil niet praten met de pers of reageren op het rapport van Luiten, totdat de Rekenkamer haar bevindingen publiek heeft gemaakt.

De teloorgang van Bremer en het Wereldmuseum verbaast de Maaslandse dalai lama-kenner Rob Hogendoorn niets. Kort na de opening van de expositie over Tibet in 2006 stuitte hij op een serie gratis ansichtkaarten die het Wereldmuseum verspreidde om de expositie te promoten. Op een daarvan stond een uitspraak die Bremer aan de dalai lama toeschreef. „Bedrijf minstens drie keer per week de liefde” – stond er de kaart, en dat had de dalai lama nooit zo gezegd. Hogendoorn benaderde het museum, talrijke experts en de gemeente, en uiteindelijk erkende Bremer schoorvoetend zijn fout. Tussen de boeddhist en de museumdirecteur kwam het niet meer goed. „Als je fictieve spreuken van de dalai lama opdist omdat dat je goed uitkomt, ben je tot alles in staat”, zegt Hogendoorn inmiddels. „Ik heb indertijd iedereen gewaarschuwd, en ik was niet de enige. Maar niemand wilde het zien. Ze hebben hem zijn gang laten gaan, en moeten nu op de blaren zitten.”