De boel werd ontruimd

Ik huurde een bureau in de oude Diamantfabriek in de Tolstraat in Amsterdam. Ik zat daar af en toe maar te zitten tussen een paar vreemden, officieel was het om te werken, maar elke keer dat ik er was realiseerde ik me dat ik er was om mezelf er aan te blijven herinneren dat ik niet geschikt ben voor een kantoorbaan.

Woensdag kwam het nieuws naar ons toe.

Op de stoffige zandvlakte onder onze ramen streken de uitgeprocedeerde asielzoekers van de actiegroep ‘We are here’ neer. Ze zetten tentjes op. Daarna kwamen er middelbare scholieren keihard liedjes zingen, zag ik een cameraman van Nieuwsuur in het stof liggen voor een mooi shot, piste de verslaggever van RTV Noord Holland tegen onze gevel en arriveerde de politie, twee vrouw sterk, te paard.

Ik liep de kale vlakte op.

Het leek alsof ik in een toneelstuk was beland dat door de acteurs iets te vaak was opgevoerd. Een buurtbewoonster bracht een pan soep. Een van hulpverleners zei „O lekker hoor”, maar hij had ook kunnen zeggen: „Niemand wil jouw soep”. Er was geen interesse voor. Op de houten tafel bij het hek lagen ook al broden, pakken jus d’orange en melk. Wie honger had mocht pakken, wat dan weer werd vastgelegd door fotografen, maar de meeste uitgeprocedeerden voetbalden of dansten op de muziek van de middelbare schoolkinderen die maar bleven zingen.

De boel werd ontruimd. Twee agenten sloften naar een tentje, duwden het plat (er lag toch niemand in) en liepen daarna door naar een volgend tentje. Er was een vrouw met groen haar die heel hysterisch „dit zijn mensen!” riep, maar ze was de hele tijd al hysterisch dus niemand keek ervan op.

Ik kwam een bekende tegen, ze informeerde naar de zwangerschap van mijn vriendin. Achter ons lag een Afrikaan op de grond, hij goot een pak melk leeg in zijn mond. Ik ving flarden op van gesprekken tussen uitgeprocedeerden en journalisten. Zowel de vragen als de antwoorden verrasten niet.

„Wat moet ik doen om gezien te worden?” vroeg een Algerijn zich af. „Mezelf de keel doorsnijden?”

Een paar uur later vertrok de groep om de volgende dag op te duiken in het Vondelpark, waar hetzelfde toneelstuk nog een keer werd opgevoerd.

De belangrijkste scène kregen we niet te zien, want die speelde zich af in het hoofd van de door iedereen zo gewaardeerde burgemeester van Amsterdam, die zich met dit rondreizende circus in zijn stad geen raad lijkt te weten en dus maar net doet alsof die mensen in het echt ook niet bestaan.

In de oude Diamantfabriek gingen we, nadat ze waren vertrokken, trouwens ook gewoon door met dat waar we daarvoor ook al mee bezig waren.