Boezem zet de ramen in je hoofd open

Marinus Boezem tijdens zijn performanceL’Uomo Volante in De Vleeshal in Middelburg, in 1979 Foto Wim Riemens

Ze zijn van dezelfde generatie – de één uit 1928, de ander uit 1934. Ze zijn frontmannen van de conceptuele kunst, hun gebaren uitgegroeid tot iconen. Maar wat een verschil. Ik heb het over de Franse kunstenaar Yves Klein (1928) en de Nederlandse Marinus Boezem (1934). Voor de laatste kan je bewondering alleen nog maar groeien zodra je zijn werk vergelijkt met dat van Klein.

Beide kunstenaars vestigden hun naam met werk dat in gedachten de hemel omspande. Klein door zich in 1956, liggend op zijn rug op het strand bij Nice, het azuurblauw van de hemel letterlijk toe te eigenen: hij nam op het diepe ultramarijn blauw een patent (het zogeheten IKB). Boezem door in 1969 met een vliegtuigje de naam BOEZEM in de lucht boven Amsterdam te ‘schrijven’ en dat te laten verwaaien in de wind. Een gebaar dat in al zijn grootsheid ook nederig is.

Die nederigheid kleurt het werk dat Boezem, die dit jaar 81 is geworden. Of hij nu de gotische kathedraal van Reims nabouwt in een ‘groene kathedraal’ van populieren in de polder bij Almere, de plattegrond van de basiliek van ‘vogelheilige’ Franciscus van Assisi met zaden op het dak van zijn atelier uittekent en door vogels laat opeten (La Volo d’Ucello uit 2010), of zichzelf als een Icarus laat vastbinden aan een spiegel die natuurlijk te pletter valt (L’Uomo Volante, 1979-1987): al Boezems werk is doordrongen van de gedachte dat niets eeuwig is, ook niet de kunst. Alles is betrekkelijk, ook de kunstenaar.

Die waarheden als een koe verandert Boezem in wonderschone huppeltjes van je hart. Al decennia slaagt hij erin om de beschouwer van zijn efemere groeiwerk en zijn performances met een rijk gevoel huiswaarts te laten gaan. Boezem zet de ramen in je hoofd op uiterst fijnzinnige wijze open.

Vorig jaar werd Marinus Boezem tachtig, en Lorenzo Benedetti, toen nog directeur van De Vleeshal, vond dat een hommage aan deze beroemdste conceptuele kunstenaar van Nederland op zijn plek was. In heel Middelburg moesten tentoonstellingen komen, niet alleen van Boezem zelf, maar ook van zijn dochter Natasja (een getalenteerde geluidskunstenaar). Ook de Forum-activiteiten die Boezem samen met zijn vrouw Maria-Rosa tussen 1977 en 1987 ontplooide en waardoor Middelburg uitgroeide tot een belangrijk internationaal avant-gardecentrum van dans, beeldende kunst en muziek, zouden worden belicht. Er zouden concerten komen, symposia, de Porsche-academie van Boezem werd nieuw leven ingeblazen.

Maar de manifestatie werd door ziekte van Boezem uitgesteld. Ondertussen kwam er een nieuwe directeur – Roos Gortzak – die deze ‘hommage’ nu op zijn best halfhartig lijkt te hebben omarmd. Buiten de tentoonstellingen in de eigen Vleeshal en de Kabinetten is het een zoeken door de stad naar kunstwerken. Er is geen plattegrond, geen uitleg, er hangen zelfs geen naamkaartjes of herkenningspunten in de stad, de publicatie is niet af. De Stad als podium, zoals de manifestatie in de geest van Boezem heet, lijkt niets met de stad te willen hebben. Integendeel: ze keert zich er juist vanaf. Wie het werk van de Boezems niet kent, loopt eraan voorbij. Nee, de nieuwe directeur heeft met deze manifestatie bepaald niet haar visitekaartje afgegeven.