Wilders’ boodschap zit verborgen in de bijzin

Geert Wilders is zijn eigen mening steeds meer als feit gaan presenteren, zo blijkt uit taalkundig onderzoek.

We kennen Geert Wilders van provocerende uitdrukkingen als ‘kopvoddentaks’ en ‘minder minder Marokkanen’. Maar de PVV-leider maakt voor het overbrengen van zijn boodschap ook op een subtielere manier gebruik van taal, zo blijkt nu uit onderzoek: in bijzinnen. Of liever gezegd: in het weglaten daarvan.

Morgen promoveert Maarten van Leeuwen op een proefschrift over de stijl van politieke taal. De taalwetenschapper, werkzaam aan de Universiteit Leiden, bestudeerde Wilders’ toespraken in de Kamer van 2004 tot 2009. Hij wilde weten hoe het taalgebruik van politici bijdraagt aan beeldvorming. En wat blijkt? Politiek bedrijven is niet alleen een kwestie van woordkeus, maar ook van zinsbouw.

Neem de islam. Je kunt zeggen: „Ik vind dat de Koran een opruiend boek is.” Dat is een mening. Je kunt ook zeggen: „De Koran is een opruiend boek.” Dan verkondig je een feit. Wilders, zo blijkt uit Van Leeuwens onderzoek, is vanaf 2007 steeds minder op de eerste manier („ik vind dat”) gaan praten, en steeds meer op de tweede manier („het is zo”). Hij is, met andere woorden, zijn eigen mening steeds meer als feiten gaan presenteren. „Door het weglaten van zo’n bijzinconstructie”, zegt Van Leeuwen, „laat je minimale ruimte voor discussie”.

In de periode dat dit gebeurde, zegt Van Leeuwen, constateerden politicologen en journalisten ook dat Wilders steeds scherpere opvattingen begon te verkondigen, vooral over de islam. Zijn vermeende radicalisering viel dus niet alleen terug te zien in wat hij zei, maar ook in hoe hij het zei.

Van Leeuwen ontdekte nog meer. Namelijk dat Wilders zijn denigrerende opmerkingen over Haagse collega-politici – PvdA’er Ella Vogelaar was „knettergek”, VVD’er Fred Teeven „een deurmat voor asielzoekers” – vaak versterkt door andere taalkundige keuzes. De PVV-leider gebruikt werkwoorden als ‘kwekken’ en ‘slijmen’ en verkleinwoorden als ‘plannetjes’ en ‘PvdA-vriendjes’. „Dat schept afstand”, zegt Van Leeuwen, „Zo weet hij zichzelf neer te zetten als politieke outsider, ook al werkt hij al vijfentwintig jaar in Den Haag.”

Van Leeuwen vergeleek Wilders’ taalgebruik met dat van een andere Haagse prominent, D66-leider Alexander Pechtold. Die blijkt ’s mans taalkundige tegenpool te zijn. Waar Wilders in toespraken voortdurend refereert aan „het volk” of „de mensen” – hij „doet alsof meningen van de PVV standpunten van de achterban zijn” – laat Pechtold dat vaak na. De D66-leider, zo ontdekte Van Leeuwen, praat als een echte Haagse insider. „Als hij politiek jargon gebruikt, legt hij dat niet uit. Hij veronderstelt het als bekend. En tijdens debatten in de Tweede Kamer houdt hij zich vaak niet aan de regel om via de voorzitter te spreken. Hij richt zich met ‘u’ en ‘uw’ rechtstreeks tot andere politici”. Dat versterkt het beeld van een politicus die primair op de Haagse binnenwereld gericht is. Wilders houdt zich opmerkelijk genoeg vaak wél aan de ‘via de voorzitter-regel’. „Dat versterkt het beeld van afstand tot de Haagse politiek.”

Als wetenschapper wil Van Leeuwen „geen waardeoordeel” geven over Wilders en Pechtold. Of hun taalgebruik effectief is, hangt af de doelstelling die ze nastreven. „Wilders’ negatieve kwalificaties van collega’s werken bijvoorbeeld niet goed als je besluitvorming of wetgeving nastreeft.”

En het belang van het onderzoek? Door ook naar verborgen taalkundige keuzes te kijken, zegt Van Leeuwen, heeft hij politieke redevoeringen op een geheel nieuwe manier benaderd. „Daar kunnen bijvoorbeeld speechwriters hun voordeel mee doen.”