Wie houdt de huurlingen in toom?

Met alléén beroepsmilitairen win je de oorlog niet. Beveiligingsbedrijven spelen een steeds grotere rol. Vier huurlingen van het Amerikaanse Blackwater werden maandag veroordeeld voor een bloedbad in Bagdad in 2007.

Twee Blackwater-huurlingen in actie in Irak in 2004. Foto Gervasio Sanchez/AP

„Ik ben ervan overtuigd dat mijn naam zal worden gezuiverd, in dit leven en in het volgende”, verklaarde Paul Slough plechtig in de rechtszaal in Washington. Hij is een van de vier oud-huurlingen van het Amerikaanse beveiligingsbedrijf Blackwater die maandag zware straffen kregen voor de moord op veertien ongewapende Iraakse burgers in Bagdad. De beveiligers blijven volhouden dat ze pas schoten nadat hun konvooi onder vuur was komen te liggen. Maar tientallen getuigen, onder wie enkele ex-collega’s, verklaarden dat van provocatie geen sprake was.

Drie van de vier mannen kregen 30 jaar celstraf. De vierde, die de geweldsuitbarsting op het kruispunt in gang zette door het vuur te openen op een auto die een stopteken negeerde, kreeg levenslang. Het betekent dat de vier mannen, door familie en vrienden omschreven als vaderlandslievende family men uit kleinsteeds Amerika, het grootste deel van hun leven achter de tralies zullen doorbrengen. Al kunnen ze nog in beroep gaan.

De schietpartij in 2007 was een van de dieptepunten van de Amerikaanse bezetting van Irak. Ze vestigde de aandacht op het feit dat de VS de oorlog grotendeels hadden geoutsourcet. De bezettingsmacht bestond voor de helft uit medewerkers van defensiebedrijven, grotendeels oud-militairen, die gebouwen bewaakten, konvooien escorteerden, maar ook de catering verzorgden en legertoiletten schoonmaakten.

Het machtigste bedrijf in Irak was Blackwater, dat voor 1 miljard dollar aan Amerikaanse overheidscontracten binnensleepte. Oprichter Erik Prince, een belangrijke donateur van de Republikeinen, stond bekend om zijn cowboymentaliteit. In 2007 waren zijn huurlingen in Irak betrokken bij 56 schietincidenten.

Enkele weken voor de schietpartij in Irak had het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken een onderzoek ingesteld naar de operaties van Blackwater. Nadat een hoge manager van het bedrijf had gedreigd de onderzoeksleider te vermoorden werd het afgeblazen. „Huurlingen van Blackwater dachten dat ze boven de wet stonden”, zei hij later – wat in feite ook zo was, want ze waren immuun voor vervolging in Irak.

Miljardenbusiness

Het bloedbad leidde tot een fel debat over de inzet van huurlingen in oorlogsgebieden. Een decennium van oorlog had van de industrie een miljardenbusiness gemaakt. Gaf het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken in 1999 nog 165 miljard dollar uit aan veiligheidsbedrijven, in 2008 was dat gestegen tot 414 miljard. Het beroepsleger was te klein voor operaties zoals in Irak en Afghanistan. Het thuisfront maakte zich bovendien minder druk om een gesneuvelde huurling dan om een soldaat.

Nu het Amerikaanse leger grotendeels weg is uit Irak en Afghanistan valt er voor defensiebedrijven minder geld te verdienen. Toch verkeert de industrie niet in een crisis. „De VS zullen de komende jaren alleen maar afhankelijker worden van Wall Street bij het voeren van oorlog”, schrijft Sean McFate, auteur van het boek The Modern Mercenary, in Foreign Policy.

Volgens McFate biedt de terugtrekking uit Afghanistan veiligheidsbedrijven juist een kans. „Contractanten zullen helpen het veiligheidsvacuüm te vullen”, schrijft hij. „Defensiebedrijven zullen zich ook verdringen in Irak, als de VS hun missie daar uitbreiden. De markt zal wellicht groeien, competitiever worden en zich ontwikkelen in een vrije markt voor geweld – wat betekent dat het vermogen om oorlog te voeren beschikbaar is voor iedereen die het kan betalen.”

Volgens McFate zijn het niet de gevestigde bedrijven in de VS en Groot-Brittannië die nu het snelst groeien, maar nieuwe bedrijven in Rusland, China en ontwikkelingslanden. Vaak zijn het voormalige rebellenleiders die nieuwe carrièremogelijkheden zien. Veel krijgsheren uit de Afghaanse burgeroorlog in de jaren negentig zijn schatrijk geworden door hun diensten aan te bieden aan het Amerikaanse leger.

Iederéén gebruikt beveiligers

De vraag naar beveiligers neemt bovendien alleen maar toe. Olie- en mijnbouwbedrijven huren beveiligers in om hun operaties te beveiligen, rederijen om aanvallen van piraten af te slaan, en hulporganisaties om hun medewerkers te beschermen.

Ook de VN outsourcen hun beveiliging in toenemende mate. De organisatie is steeds vaker actief in conflictgebieden en haar mensen zijn geregeld doelwit van aanslagen en ontvoeringen. In 2012 gaf de volkerenorganisatie 124 miljoen dollar aan uit aan particuliere beveiliging, zo blijkt uit het rapport Contracting Insecurity dat het Global Policy Forum vorig jaar publiceerde. Maar dit cijfer is onvolledig, zegt opsteller Lou Pingeot. „Dit is deel van het probleem: de VN hebben zelf geen duidelijk beeld hoeveel geld ze uitgeven en aan wie.”

Daardoor heeft de organisatie geregeld bedrijven ingehuurd die in opspraak zijn geraakt wegens wangedrag en excessief geweld. Pingeot geeft als voorbeeld de Amerikaanse marktleider G4S, dat volgens mensenrechtenorganisaties vorig jaar met grof geweld een opstand neersloeg in een Australisch asielzoekerskamp in Papoea-Nieuw-Guinea. Of neem Saracen Uganda, dat betrokken was bij de illegale exploitatie van grondstoffen in Congo.

Is dit het ultieme kwaad?

Het inhuren van veiligheidsbedrijven is zeer omstreden binnen de VN, vanwege de grote gevolgen voor de legitimiteit van de organisatie. „De inzet van dit soort bedrijven is een symptoom van een groter probleem”, zegt Pingeot. „Lidstaten willen dat de VN actief blijven in gevaarlijke gebieden. En VN-missies krijgen een steeds ruimer mandaat, zoals in Oost-Congo, waar blauwhelmen actief de strijd aanbinden tegen gewapende groepen. Maar wat betekent dit voor het ‘neutrale’ humanitaire werk? De VN moeten zich afvragen wat voor organisatie ze willen zijn.”

Pingeot wil de beveiligingsindustrie niet afschilderen als „het ultieme kwaad dat stiekem de wereld wil overnemen”. „Beveiligingsbedrijven worden machtiger omdat staten ze daarvoor de ruimte geven. Blackwater was een uitzonderlijk bedrijf, dat zich boven de wet plaatste omdat de Amerikaanse regering totaal geen toezicht hield. Maar zolang beveiligingsbedrijven zich kunnen onttrekken aan democratische controle blijft het risico op excessen bestaan.”