Verdeling onderzoeksgeld niet eerlijk

Uitstekende onderzoeksvoorstellen van sociale wetenschappers worden maar al te vaak afgewezen door subsidieverdeler NWO. Bètawetenschappen worden voorgetrokken, klaagt Herman van de Werfhorst.

Wetenschappers moeten in toenemende mate met elkaar in concurrentie om onderzoeksmiddelen. Universiteiten krijgen sinds 2008 minder onderzoeksfinanciering rechtstreeks van het ministerie, en moeten proberen via de Nederlandse Organisatie van Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) deze middelen verkrijgen via het schrijven van competitieve onderzoeksvoorstellen.

Op zich is met competitie niets mis, maar het systeem is onhoudbaar. Dat zien niet alleen de protesterende docenten op de Universiteit van Amsterdam, waar de huidige protestbeweging ook dit soort Haagse kwesties agendeert, maar dat ziet men in Den Haag ook. Want in de recente Wetenschapsvisie van het kabinet wordt een verandering van de organisatie van NWO bepleit: meer centralisatie over de vakgebieden heen.

Maar of dat de problemen oplost is nog maar zeer de vraag. Er bestaan bij NWO grote verschillen in de slagingskans van onderzoeksvoorstellen, ook als die goed beoordeeld zijn via peer-reviews. Een van de grote frustraties onder wetenschappers is wanneer een uitstekend beoordeeld voorstel toch geen financiering krijgt omdat de middelen te beperkt zijn om al het uitstekende onderzoek te belonen. Als het systeem competitie aanmoedigt, zou die competitie wel eerlijk moeten zijn. Maar is er wel een ‘level playing field’?

Sociale wetenschappen internationaal in hoog aanzien

Op basis van officiële cijfers van NWO kunnen we nagaan wat de slagingskans is bij verschillende NWO-vakgebieden. En wat blijkt is dat de bètawetenschappen een structureel grotere kans hebben om een aanvraag gehonoreerd te zien dan de sociale wetenschappen. De hoogste slagingskans is te vinden onder de hersen- en cognitiewetenschappers. In dat vakgebied kreeg in de periode 2009-2013 61 procent van de ingediende voorstellen daadwerkelijk subsidie.

Dan is er een grote middengroep van verschillende bètawetenschappen met een slagingskans van tussen de 24-35 procent. Onderaan bungelen de Maatschappij- en Gedragswetenschappen, met een schamele 16 procent. Dit NWO-onderdeel bedient onder andere de vakgebieden economie, rechten, sociologie, politicologie, geografie en psychologie; vakgebieden waar, tezamen, veruit het grootste deel van hoger opgeleiden van Nederland is opgeleid. Hun docenten verkrijgen simpelweg veel moeilijker onderzoeksfinanciering dan hun collega’s in de natuurkunde, scheikunde en wiskunde. We moeten ons serieus afvragen of de herallocatie van middelen van universiteiten naar NWO, ingezet door voormalig wetenschapsminister Plasterk, de frustratie onder wetenschappers onnodig heeft vergroot.

Of de nieuwe strategie van NWO de kansen verbetert voor de sociale wetenschappen is zeer de vraag. Men wil de slagingskans gelijktrekken, onder andere door universiteiten te vragen het aantal aanvragen te beheersen. Maar die maatregel betekent dat de ‘noemer’ van het slagingspercentage wordt verlaagd zonder de beschikbare middelen te verhogen. En juist in de middelen per vakgebied zit de onevenredigheid.

De centrale vraag hoe NWO tot gekozen verdeling over de vakgebieden komt zou eerst beantwoord moeten worden voordat de weg van verdere centralisatie wordt ingeslagen. Waarom stuurt NWO te weinig middelen naar de sociale wetenschappen? Toch niet op basis van de relatieve sterkte van de vakgebieden in de wereld. De sociale wetenschappen aan Nederlandse universiteiten staan hoger op de internationale ranglijsten dan de bètawetenschappen.