Van fruitstilleven tot Rubens

Ruim zestig jaar bouwden de Weldons aan een collectie oude meesters. Sotheby’s tracht er moderne kunstverzamelaars voor te interesseren

Het interieur van Henry en June Weldon op Park Avenue, dat vol hing met hun oude meesters Foto Sotheby’s

June ‘Jimmy’ Weldon wist in 1951 niks van kunst, ze was naar eigen zeggen „zalig onwetend”. Maar één ding wist ze wel: die ellendige, moderne druipschilderijen van Jackson Pollock, een kennis van haar man Henry, zouden haar huis niet in komen. „Als je zo’n Pollock koopt, ben ik weg”, zei Jimmy tegen haar man.

Op een kleine veiling in Greenwich Village kocht het echtpaar iets heel anders voor aan de muur: een klein fruitstilleven op koper. Kosten: 16 dollar. Tijdens het schoonmaken kwam er een signatuur van de bekende zeventiende-eeuwse stillevenschilder Willem van Aelst tevoorschijn. Het was de eerste van zo’n zeventig Hollandse en Vlaamse oude meesters die Henry en June Weldon bij elkaar zouden brengen. Bij Sotheby’s in New York wordt de collectie volgende week verkocht, op een veiling die op een bijzondere manier in de markt wordt gezet.

De in Duitsland geboren Henry H. Weldon (1905-2003) was jurist in Berlijn. In de jaren dertig vluchtte hij naar Londen, waar hij een succesvolle handelsfirma in grondstoffen opzette. Na de oorlog assisteerde hij in Neurenberg bij de processen tegen de nazikopstukken en vervolgens emigreerde hij naar de Verenigde Staten, waar hij huwde met de Hongaarse immigrante Jimmy Hetenyi (1922-2014).

De Weldons waren naar eigen zeggen geen collectioneurs. Als ze op iets moois stuitten, haalden ze het naar hun huis op Park Avenue in New York. Ingewikkelder was het niet. In de veilingcatalogus schrijft oud-Mauritshuis-directeur Frits Duparc dat de Weldons alleen kochten als sprake was van liefde op het eerste gezicht. Ook hadden zijn vrienden een duidelijke voorkeur voor kabinetstukken, schrijft Duparc: kleine stillevens van Ambrosius Bosschaert en Adriaen Coorte en elegante winterlandschapjes van Hendrick Averkamp en Jan van Goyen.

Vorige maand toonde Sotheby’s 26 hoogtepunten uit de verzameling in Londen en daarna in Amsterdam. George Wachter, co-chairman Oude Meesters bij het veilinghuis, was ervoor uit New York overgekomen. Wachter raakte eind jaren tachtig bevriend met de Weldons. „Zulke gastvrije en kunstminnende mensen”, zegt hij. „Henry kocht op zijn 97ste nog kunst. En na zijn dood is Jimmy daarmee doorgegaan.”

Wachter bood vaak voor de Weldons op veilingen. In 1995 op een schilderij van Peter Paul Rubens en Jan Brueghel de Jonge, dat nu met een richtprijs van 3 tot 5 miljoen dollar het verwachte topstuk van de veiling is. Terwijl zijn opdrachtgevers in New Yok lagen te slapen, bood de Sotheby’s-medewerker in Londen een ton boven de limiet die hij met ze had afgesproken. Wachter: „Henry was wel een beetje boos toen ik vertelde wat ik had gedaan. Maar het wederzijds vertrouwen was groot. Ik legde uit dat dit schilderij niet in hun verzameling mocht ontbreken. Zoiets doe je niet bij iedereen.”

De markt voor oude meesters is lastig. Stillevens en bruinige schilderijen zijn niet heel gewild. Sotheby’s grijpt de Weldon-veiling aan om de markt voor zeventiende-eeuwse schilderkunst open te breken, zegt Wachter. Hij omschrijft de aanpak als „a new look, new eyes”. Hij heeft de schilderijen schoon laten maken, sommige opnieuw gelijst, en een spetterende, 368 pagina’s dikke catalogus laten maken. Daarin worden de schilderijen op een opvallende manier gepresenteerd: een panoramisch landschap van Albert Cuyp bijvoorbeeld tegen een nachtelijke stadslandschap. Ook zijn extreme close-ups uit de schilderijen paginagroot in de catalogus afgedrukt.

Hedendaagse kunstenaars

Met deze nieuwe benadering mikt het veilinghuis op klanten die nu moderne kunst kopen, zegt Wachter. Enige frustratie over de gigantische opbrengsten voor naoorlogse en hedendaagse kunst klinkt in zijn woorden door. „Soms zie ik een wit doekje van Robert Ryman dat voor 3 miljoen wordt afgehamerd. Of nog natte schilderijen van jonge kunstenaars die een fortuin opbrengen. What the hell is going on, denk ik dan. Voor hetzelfde geld kun je fantastische oude meesters kopen.”

De Weldon-veiling telt 74 nummers met alleen maar namen van kunstenaars waar straten en pleinen naar zijn vernoemd. Toch valt de geschatte totaalopbrengst (23 tot 32 miljoen dollar) in het niet bij de prijs van één groot doek van Gerhard Richter of Andy Warhol.

Gek genoeg, zegt Wachter, zijn diverse hedendaagse kunstenaars zich van die discrepantie bewust. Jeff Koons, George Condo, Georg Baselitz, Damien Hirst en John Currin, allen verzamelen ze oude meesters. „Zij zien de waarde”, zegt Wachter. De veilingspecialist sprak onlangs met John Currin. Met de 52-jarige Amerikaanse schilder had Wachter zich verbaasd over recente veilingopbrengsten. Een paneel van de Duitse renaissanceschilder Lucas Cranach, een bron van inspiratie voor Currin, had minder opgebracht dan een van Currins schilderijen.

Wachter: „Currin vond het zelf ook vreemd. Hij zei dat hij lang niet zo’n goede schilder is als Cranach.”