Oorlog voeren gaat niet meer zonder huurlingen

Met alléén beroepsmilitairen win je de oorlog niet. Steeds vaker komen huurlingen in dienst, zelfs bij de VN. Een van de grote spelers op dat gebied is het bedrijf Blackwater. Die huurlingen dachten boven de wet te staan.

Twee huurlingen van het Amerikaanse beveiligingsbedrijf Blackwater bij een oefening in Najaf, Irak in 2004. Foto AP

„Ik ben ervan overtuigd dat mijn naam zal worden gezuiverd, in dit leven en in het volgende”, verklaarde Paul Slough plechtig in de rechtszaal in Washington. Hij is een van de vier voormalige huurlingen van het Amerikaanse beveiligingsbedrijf Blackwater die maandag zware straffen kregen voor de moord op veertien ongewapende Iraakse burgers in Bagdad. De beveiligers blijven volhouden dat ze pas schoten nadat hun konvooi onder vuur kwam te liggen. Maar tientallen getuigen, onder wie enkele voormalige collega’s, verklaarden dat er van provocatie geen sprake was.

Drie van de vier mannen kregen dertig jaar celstraf. De vierde, die de geweldsuitbarsting op het kruispunt in gang zette door het vuur te openen op een auto die een stopteken van een verkeersagent negeerde, kreeg levenslang. Het betekent dat de vier mannen, door familie en vrienden omschreven als vaderlandslievende family men uit kleinsteeds Amerika, het grootste deel van hun leven achter de tralies zullen doorbrengen. Al kunnen ze nog in beroep gaan.

De schietpartij in Bagdad was een van de dieptepunten van de Amerikaanse bezetting van Irak. Het incident vestigde de aandacht op het feit dat de Verenigde Staten de oorlog grotendeels hadden geoutsourcet. De bezettingsmacht bestond voor 50 procent uit medewerkers van defensiebedrijven, grotendeels oud-militairen, die gebouwen bewaakten, konvooien escorteerden, maar ook meer allerdaags werk deden zoals de catering en het schoonmaken van legertoiletten.

Stond Blackwater boven de wet?

Het machtigste bedrijf in Irak was Blackwater, dat voor 1 miljard dollar aan Amerikaanse overheidscontracten had binnengesleept. Oprichter Erik Prince, een belangrijke donateur van de Republikeinse partij, stond bekend om zijn cowboymentaliteit. In 2007 waren zijn huurlingen bij 56 schietincidenten in Irak betrokken.

Enkele weken voor de fatale schietpartij in Bagdad had het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken een onderzoek geopend naar de operaties van Blackwater. Maar dit werd afgeblazen nadat een hoge manager van het bedrijf dreigde de onderzoeksleider te vermoorden. „Huurlingen van Blackwater dachten dat ze boven de wet stonden”, zei hij later – wat in feite ook zo was, want ze waren immuun voor vervolging in Irak.

Het bloedbad in Bagdad leidde tot een fel debat over de inzet van huurlingen in oorlogsgebieden. Een decennium van oorlog had van de industrie een miljardenbusiness gemaakt. Het bedrag dat het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken uitgaf aan het inhuren van veiligheidsbedrijven steeg van 165 miljard dollar in 1999 tot 414 miljard in 2008. Het beroepsleger was te klein voor grote, langdurige operaties zoals in Irak en Afghanistan. Bovendien maakte het thuisfront zich minder druk om een gesneuvelde huurling dan om een soldaat.

Nu het Amerikaanse leger grotendeels weg is uit Irak en Afghanistan, valt er voor defensiebedrijven minder geld te verdienen. Maar dat betekent niet dat de industrie in een crisis verkeert. „De VS zullen de komende jaren alleen maar afhankelijker worden van Wall Street bij het voeren van oorlog”, schrijft Sean McFate, auteur van het boek The Modern Mercenary, in het tijdschrift Foreign Policy.

Volgens McFate vormt de Amerikaanse terugtrekking uit Afghanistan juist een kans voor veiligheidsbedrijven. „Contractanten zullen helpen het veiligheidsvacuüm te vullen dat is achtergelaten door de Amerikaanse troepen”, schrijft hij. „Defensiebedrijven zullen zich ook verdringen in Irak, als de VS hun missie daar uitbreiden. De markt zal wellicht groeien, meer competitief worden en zich ontwikkelen in een vrije markt voor geweld – wat betekent dat het vermogen om oorlog te voeren beschikbaar is voor iedereen die het kan betalen.”

Volgens McFate zijn het niet de gevestigde bedrijven in de VS en Groot-Brittannië die nu het snelst groeien, maar nieuwe bedrijven in Rusland, China en ontwikkelingslanden. Vaak zijn het voormalige rebellenleiders die nieuwe carrièremogelijkheden zien. Veel krijgsheren uit de Afghaanse burgeroorlog in de jaren 90 zijn schatrijk geworden door hun diensten aan te bieden aan het Amerikaanse leger.

Iederéén gebruikt beveiligers

Daarbij neemt de vraag naar beveiligers in conflictgebieden alleen maar toe. Olie- en mijnbouwbedrijven huren beveiligers in om hun operaties te beveiligen, scheepvaartbedrijven om aanvallen van piraten af te slaan, en hulporganisaties om hun medewerkers te beschermen.

Ook de Verenigde Naties outsourcen hun beveiliging in toenemende mate. De organisatie is steeds vaker actief in conflictgebieden en haar personeel is regelmatig doelwit van aanslagen en ontvoeringen. In 2012 gaf de volkerenorganisatie 124 miljoen dollar aan uit aan particuliere beveiliging, zo blijkt uit het rapport Contracting Insecurity dat het Global Policy Forum vorig jaar publiceerde. Maar dit cijfer is onvolledig, zegt Lou Pingeot, auteur van het rapport. „Dit is deel van het probleem: de VN hebben zelf geen duidelijk beeld hoeveel geld ze uitgeven en aan wie.”

Het gevolg is dat de organisatie regelmatig bedrijven heeft ingehuurd die in opspraak zijn geraakt wegens wangedrag en excessief gebruik van geweld. Pingeot geeft als voorbeeld de Amerikaanse marktleider G4S, dat volgens mensenrechtenorganisaties vorig jaar met grof geweld een opstand neersloeg in een Australisch asielzoekerskamp op Papoea-Nieuw-Guinea. Of neem Saracen Uganda, dat betrokken was bij de illegale exploitatie van grondstoffen in Congo.

Is dit het ultieme kwaad?

Het inhuren van veiligheidsbedrijven is zeer omstreden binnen de VN. Want het heeft grote gevolgen voor de legitimiteit van een organisatie die neutraal wil zijn. „De inzet van dit soort bedrijven is een symptoom van een groter probleem”, zegt Pingeot. „Lidstaten willen dat de VN actief blijft in gevaarlijke gebieden. En VN-missies krijgen een steeds ruimer mandaat, zoals in Oost-Congo, waar blauwhelmen actief de strijd aanbinden tegen gewapende groepen. Maar wat betekent dit voor het ‘neutrale’ humanitaire werk? De VN moeten zich afvragen wat voor organisatie ze willen zijn.”

Pingeot wil de beveiligingsindustrie niet afschilderen als „het ultieme kwaad dat stiekem de wereld wil overnemen. Beveiligingsbedrijven worden machtiger omdat staten ze daarvoor de ruimte geven. Blackwater was een uitzonderlijk bedrijf, dat zich boven de wet plaatste omdat de Amerikaanse regering totaal geen toezicht hield. Maar zolang beveiligingsbedrijven zich kunnen onttrekken aan democratische controle blijft het risico op excessen bestaan.”