Meeneuriënd met de chansons van weleer

Fransen gingen massaal naar ‘La famille Bélier’: een komedie over een dove familie op het platteland, met één horende dochter. Op zoek naar een hechter en warmer Frankrijk.

Niet zozeer een film over sociale emancipatie, maar over verwantschap en familiewaarden: de familie Bélier.

Kwetterende vogeltjes, koeien in sappige weiden en een klassieke Franse boerderij. Als vervolgens ook nog een roestige Renault 4, de archetypische bestelwagen van bakker, boer en dorpsdokter, in beeld verschijnt, dan weet je het wel: dit wordt een lofzang op la France profonde, het ‘diepe’ Frankrijk van het platteland, dat in de ogen van steeds meer angstige Fransen bedreigd wordt door de oprukkende wereld.

Na dit openingsshot van La famille Bélier, dé Franse filmhit van de afgelopen maanden, zal het niet lang meer duren voordat de rauwmelkse kazen, de Marseillaise en de zoetsappige chansons van Michel Sardou worden opgediend.

De film van Éric Lartigau trok al meer dan zeven miljoen Fransen naar de bioscopen. Dat is geen record – vergelijkbare feel-goodfilms zoals Bienvenue chez les Ch’tis en Intouchables haalden drie keer zoveel bezoekers – maar het is voor Franse begrippen toch nog steeds een grote kaskraker. In Hollywood wordt inmiddels aan een remake van de Franse winterhit gewerkt.

La famille Bélier was „een onverwachts succes”, kopten de kranten, en ook Lartigau leek in interviews ietwat verrast door de reacties op zijn bescheiden opgezette film. Terwijl een familiefilm over emancipatie en ontluikende kalverliefde, met beroemde acteurs en een ster uit talentenjacht The Voice op papier al genoeg ingrediënten zou moeten hebben voor een geslaagde ‘dramédie’, het hybride genre (beetje drama, beetje komedie) waar de Fransen patent op hebben. Voeg daar een snufje nostalgie en wat ‘republikeinse waarden’ aan toe en succes lijkt gegarandeerd.

De sleutel is wat de conservatieve krant Le Figaro de „revanche van la France périphérique” noemt: de wraak van het achterland, dat zich met traditionele waarden, kleinschaligheid en rotsvast vertrouwen in de republiek steeds meer vergeten voelt.

Het was de socioloog Christophe Guilluy die dit begrip onlangs muntte om uit te leggen waar de kloof tussen burger en politiek, het eeuwige Franse pessimisme en, daarmee, de steun voor het Front National vandaan komt. Idealisering van het traditionele provincieleven, bedreigd door de sluiting van fabrieken, boerenbedrijven en een vlucht naar de stad hoort daarbij. Niet voor niets zijn toeristische programma’s met mooie plaatjes van landschappen en dorpen, zoals het vroegere Weg van de snelweg in Nederland, nog altijd de best bekeken uitzendingen op de Franse televisie.

Aan de oppervlakte gaat het verhaal over een boerenfamilie waarin alleen de dochter des huizes kan horen. Haar vader en moeder, vertolkt door François Damiens en Karin Viard, en haar broertje zijn doofstom. De zestienjarige Paula (zangeres Louane Emera) is de spil van het gezin. Ze moet geregeld bijspringen voor vertalingen. Ze is onmisbaar bij de verkoop van de kazen op de dorpsmarkt, onderhandelt op weg naar school over koeien en moet zelfs met de ouders mee voor een vertaling in gebarentaal van een intiem gesprek bij de huisarts. Dat levert vrolijke scènes op.

Het drama komt als Paula via haar muziekleraar op school ontdekt dat ze een mooie stem heeft en mee wil doen aan het jaarlijkse concours van de Franse nationale radio in Parijs. Het universele thema is natuurlijk het hechte gezin dat ziet dat het pubermeisje haar vleugels wil uitslaan en naar de grote stad wil, haar uiteindelijk die kans gunt, maar haar ook niet kwijt wil.

Scenariste Victoria Bedos (1984), die uit een bekende Franse artiestenfamilie komt, wilde „een boodschap overbrengen” aan haar eigen ouders, over „de moeilijkheid van het doorknippen van de navelstreng met een liefhebbende en originele familie”, zei ze op de radio. Dat de familie doof is en zich dus lastig kan verplaatsen in de voorliefde van hun dochter voor muziek maakt het relaas nog wat schrijnender.

Precies dat gegeven wekte overigens de woede op van de dovengemeenschap, zowel in Frankrijk als daarbuiten. In The Guardian noemde journalist Rebecca Atkinson, zelf doof, de film „beledigend” omdat het wel of niet horen van muziek en vogelgekwetter een clichématige preoccupatie is van horende mensen: wie nooit muziek heeft gehoord, mist niets, schreef ze.

De dove Franse actrice Emmanuelle Laborit vond dat er „met onze handicap geld wordt verdiend”. Zij kwam ook met een fundamenteler bezwaar: het feit dat niet-dove acteurs voor de film gebarentaal hebben geleerd. Dat is geen succes: „Ze spreken gebarentaal als varkens”, zei ze tegen Le Monde. Het is bovendien als zou je blanke acteurs zwart schminken voor een Blackface-act, schrijft Atkinson. „Konden ze geen dove acteurs vinden?”

Dat konden ze wel, althans, een van de acteurs is in het werkelijke leven ook doof: het broertje van Paula, gespeeld door Luca Gelberg. Maar in wezen gaat de film dus helemaal niet over doofheid. Net zoals Intouchables, waarin een gehandicapte rijkaard verzorgd wordt door een kansloze zwarte man, niet over het leven met een handicap ging, maar over een voor Fransen belangrijk politiek thema: een voor één keer wel geslaagde ontmoeting tussen de welgestelde blanke bovenlaag en de duistere banlieue – met, overigens, alle raciale stereotypen die daarbij horen.

Dat de Béliers doof zijn, verklaart niet het succes. Dat zit hem meer in het decor en de thematiek van het voor zijn voortbestaan vechtende platteland en, net als bijvoorbeeld in Amélie of in het succes van vorig jaar, Bon Dieu (12 miljoen bezoekers), naar de hunkering naar een Frankrijk dat nog ordelijk en overzichtelijk was: een land met de familie als hoeksteen van de samenleving en de school als plek waar iedereen zich ongeacht afkomst kan ontplooien.

La famille Bélier is niet zozeer een „geschiedenis van sociale emancipatie, maar een van erfelijkheid en verwantschap”, meent Le Figaro. „Juist omdat haar ouders haar solide waarden hebben doorgegeven, kan Paula het familienest verlaten, en zoeken naar haar eigen bestaan.”

Want de familie Bélier is de modelfamilie van het Franse platteland: zoals het ware ‘republikeinen’ betaamt totaal geassimileerd in de gemeenschap en niet – een van de grootste angsten van de Fransen – opgesloten in een met de republiek concurrerende particuliere groepsidentiteit. Doof of niet: vader Rodolphe Bélier neemt het als kandidaat op tegen de zittende burgemeester, een gluiperd die godbetert een bedrijventerrein wil aanleggen op de weilanden waar nu nog koeien grazen. Met de zelfspottende verkiezingsslogan ‘Je vous entends’, wat in het Frans zowel ‘Ik hoor u’ als ‘Ik begrijp u’ betekent, stelt hij zich beschikbaar voor de republiek.

Maar uiteindelijk komt de weemoed naar een Frankrijk dat niet meer bestaat het best naar voren door de onvermoede revival van de bedaagde chansonnier Michel Sardou. Alle liedjes in de film zijn van zijn hand. Zelfs in metropool Parijs liepen bioscoopbezoekers zijn Je vole (inmiddels een grote hit voor Louane Emera) neuriënd naar buiten. De muziekleraar in de film, een onverbeterlijke fan van de zanger, vat de essentie tegenover zijn leerlingen bondig samen: „Als alles slecht gaat en er geen enkele hoop meer is, dan is er altijd nog Michel Sardou.”