Mannen voelen zich machtiger

Mannelijke leiders blijken sneller voor een sollicitant te kiezen die op hen lijkt dan vrouwelijke leiders. Dat blijkt uit een onderzoek van universiteit Groningen en NRC.

illustratie tomas schats

Hij heeft de juiste diploma’s, genoeg werkervaring, leuke bijbaantjes gehad. Maar de kandidaat die in aanmerking komt als opvolger voor jouw leidinggevende functie pakt dingen heel anders aan dan jij. Neem je die kandidaat dan toch aan?

De Rijksuniversiteit Groningen heeft in samenwerking met NRC Q onderzocht hoe mannelijke en vrouwelijke leidinggevenden hun opvolgers kiezen, om inzicht te krijgen in hoe belangrijk het old boys network is bij het toewijzen van banen. Mannelijke leiders blijken sneller voor een sollicitant te kiezen die op hen lijkt dan vrouwelijke leiders.

Dat is interessant, gezien de maatschappelijke discussie over hoe je snel meer vrouwen aan de top krijgt. Het zijn er te weinig, en het worden er te langzaam meer, vinden minister Jet Bussemaker (OC&W, PvdA) en vele anderen.

Bussemaker probeerde dat te veranderen met een database voor vrouwelijk talent (de Kamer wil er nu vanaf, maar Bussemaker zet door). Maar een omslag in denken is ook nodig, suggereren onderzoekers Floor Rink, Janka Stoker en Michelle Ryan van de RUG. Daaraan deden 331 leidinggevenden mee. In een vragenlijst werd hen gevraagd één van drie mogelijke kandidaten te beoordelen voor opvolging, allen omschreven als competent voor de functie. Het verschil zat in de verdere omschrijving. Eén heeft „veel met jou gemeen”, één „verschilt behoorlijk van jou”, bij de derde werd dat helemaal weggelaten.

Mannen blijken de kandidaat die van hen verschilt negatiever te beoordelen dan de andere twee kandidaten. Vrouwen beoordeelden alle drie de kandidaten even positief. Mannelijke leidinggevenden nemen ‘gelijkenis’ dus mee in hun oordeel, vrouwelijke leiders niet.

De onderzoekers zeggen daarvoor een verklaring te hebben gevonden. Respondenten werd ook gevraagd aan te geven hoe ‘machtig’ zij zich binnen de organisatie voelen. Vrouwen schatten hun „eigen macht in de organisatie als gering in”, schrijft Stoker. En omdat ze dat doen, zouden ze niet geneigd zijn iemand die op hen lijkt te bevoordelen (of iemand die niet op hen lijkt te benadelen).

Dat suggereert ook, aldus de onderzoekers, dat vrouwelijke leiders, eenmaal aan de top, „niet snel geneigd zijn om een old girls network op te richten, en vrouwen te bevoordelen bij bepaalde benoemingen”. Wat in een ideale wereld natuurlijk goed is. Maar lastig als je een old boys network probeert te doorbreken.