Column

Macaber

Co-piloot Andreas Lubitz kan ons nog lang achtervolgen met zijn desperate moordpartij op 149 passagiers in de Franse Alpen. Welke reiziger zal voortaan níét ongerust opkijken als hij uit de omgeving van de cockpit in zijn vliegtuig zekere geluiden hoort komen?

Er zijn ook andere mogelijkheden om aan Lubitz herinnerd te worden. Een simpel boek bijvoorbeeld, ook al is het een flinke poos geleden – in 1975 – geschreven.

Onlangs bekeek ik in de boekhandel de pas uitgekomen Nederlandse vertaling van Factotum, de eerste roman van Charles Bukowski nadat hij met zijn debuut Post Office in 1971 was doorgebroken. Ik realiseerde me dat dit een Bukowski was die ik nog niet had gelezen.

Ik las de lovende inleiding van Thomas Heerma van Voss, maar besloot – ondankbare hond – toch de Engelse uitgave te kopen. De bondige Amerikanen – Hemingway, Chandler, Carver, Bukowski – kun je beter in het origineel lezen; hun taal wordt in vertaling algauw gewoontjes.

In Factotum is Henry Chinaski, het alter ego van Bukowski, een outcast die door Amerika zwerft en even gemakkelijk van baan als van vrouw verandert; zijn troost vindt hij in de drank en een nog onbestemde literaire ambitie. Het zijn vertrouwde elementen voor Bukowski-lezers, maar ze blijven frapperen omdat hij het met zoveel schaamteloze directheid opschrijft.

In hoofdstukje 56 gebeurde het opeens. Chinaski krijgt via de krant een baantje bij een kledingbedrijf. Hij moet er elke morgen voor naar Miami Beach in een bus die over een smalle wegstrook, zonder vangrail, vlak langs het water rijdt.

„De buschauffeur leunde achterover en wij raasden over deze smalle strook van cement, omgeven door water, en alle mensen in de bus, de 25, 40 of 52 mensen vertrouwden hem, maar ik nooit. Soms was er een nieuwe chauffeur, en ik dacht: hoe selecteren ze die klootzakken? Aan beide kanten van ons is diep water en met één stommiteit vermoordt hij ons allemaal. Het was idioot. Stel dat hij die morgen ruzie had gehad met zijn vrouw? Of kanker? Of visioenen van God? Slechte tanden? Wat dan ook. Hij zou het kunnen doen. Ons allemaal verzuipen. Ik wist dat IK als ik reed de mogelijkheid of wenselijkheid zou overwegen om iedereen te verdrinken. En soms, meteen na zulke overwegingen, verandert de mogelijkheid in werkelijkheid. Tegenover elke Jeanne d’Arc zit een Hitler aan de andere kant van de wip. Het oude verhaal van goed en kwaad. Maar geen enkele van deze buschauffeurs heeft ons ooit verzopen. In plaats daarvan dachten ze aan auto-afbetalingen, basketbaluitslagen, kapsels, vakanties, klysma’s, familiebezoeken.” (De cursivering is van mij.)

Vóór dinsdag 24 maart 2015, de dag waarop Andreas Lubitz zijn vliegtuig naar de hel stuurde, zou ik deze passage van Bukowski argeloos hebben gelezen – om er daarna nooit meer aan te denken. De ‘mogelijkheid of wenselijkheid’ overwegen om een bus vol passagiers het water in te rijden? Het leek koketterie van een schrijver die wilde shockeren. Dit viel niet serieus te nemen.

Nu denk ik daar anders over. Ik zie opeens het verband tussen deze macabere gedachte en de misantropie waarvan de boeken van Bukowski doordrenkt zijn. Het was geen toeval dat Céline zijn favoriete schrijver was. Deze passage bij Bukowski bewijst weer eens dat het onvoorstelbare niet bestaat – elke gedachte is eerder gedacht, elke daad eerder overwogen.