Het testament van Oliveira komt eindelijk uit de kluis

Heel ongebruikelijk: ruim voor de officiële selectie bekend zal worden gemaakt van het filmfestival van Cannes, staat één titel die op het festival te zien zal zijn al nagenoeg vast. Directeur Thierry Frémaux liet aan de Franse pers weten dat het raar moet lopen als de nieuwe film van de begin deze maand overleden Portugese meester Manoel de Oliveira niet te zien zal zijn. Oliveira overleed op de gezegende leeftijd van 106. Hij gold al vele jaren als de oudste nog werkende filmregisseur van de wereld. Dat opmerkelijke uithoudingsvermogen maakte hem niet perse tot een goed regisseur, maar in ieder geval wel tot een interessante. Hij debuteerde als acteur in het tijdperk van de stille film, regisseerde zijn eerste documentaire in 1929, speelde in 1933 een rol in de allereerste geluidsfilm die in Portugal is gemaakt, A Canção de Lisboa, en bleef bijna tot het einde doorwerken.

Met de film die nu naar Cannes gaat – mogelijk na een eerste vertoning bij het nationaal filminstituut van Portugal in Lissabon – is iets merkwaardigs. De regisseur voltooide de film, Visita ou Memórias e Confissões (‘Het bezoek, of herinneringen en bekentenissen’), al in 1982. Hij liet vervolgens een exemplaar opslaan in de kluis van het Portugees Filmmuseum met expliciete instructies dat de film pas na zijn dood mocht worden vertoond aan het publiek. De film heeft een autobiografisch, intiem karakter. Begin jaren tachtig zag Oliveira, toen de zeventig al gepasseerd, zich door financiële moeilijkheden gedwongen zijn woning in Porto te verkopen. Dat huis speelt een hoofdrol: een jong stel overweegt het huis te kopen, dat deels ontworpen is door de regisseur zelf en werd gebouwd in de jaren dertig. Op de geluidsband is Oliveira te horen, die herinneringen ophaalt en zijn meest persoonlijke gedachten blootgeeft over film, religie en seks, zo vertelde zijn jarenlange producent Paulo Branco aan de Franse krant Le Monde: „Ik geloof dat hij gewoon het huis wilde filmen waar zo’n groot deel van zijn leven lag.” De directeur van het Portugees filmmuseum, José Manuel Costa, behoort eveneens tot het selecte gezelschap dat de film mocht zien: „De film is zeer fraai, en zeer delicaat. Verwacht geen heel particuliere bekentenissen. Het is simpelweg zo dat Oliveira behoorde tot een generatie die zich niet graag publiekelijk blootgaf.”

Bij een literair werk is het niet zo ongebruikelijk dat een werk tot na de dood van de schepper in een lade verdwijnt, maar bij film is dat uniek. Oliveira’s oeuvre is zeer omvangrijk en veelzijdig. Een emblematische film die als het vlaggenschip fungeert ontbreekt. Wellicht zal zijn postume film die rol alsnog kunnen vervullen.