Een verdwenen schip dat verhalen blijft baren

Het is vandaag twee jaar geleden dat het Nederlandse schip de Warnow spoorloos verdween. Is er betekenis te vinden voorbij de feiten?

Kliffen tussen Johnshaven en Stonehaven in Schotland. In dit gebied is de Warnow het laatst waargenomen. Foto Getty images

Westerstorm is de voorspelling. Daarom hebben de vissers van Johnshaven hun kreeftenkorven aan land gehaald. In lange rijen liggen ze langs de kade gestapeld. Steenkoolrook waait over de daken naar zee.

Neil Shelton wijst. In de verte rollen golven lui over rotsen. Daar zag hij dat vreemde schip, geen schip uit de buurt. Het naderde tot op een paar honderd meter. Maar het maakte geen aanstalten het haventje binnen te varen. Hij zag mensen aan boord. Twee, drie? Het zigzagde en draaide rondjes, zegt hij, alsof de bemanning de controle kwijt was.

Er werd een zeil gehesen, een roodbruin zeil met een afgeronde bovenkant die eerst flapperde. Geen zeil zoals je ze in Schotland ziet. Het was helder weer, het woei niet hard. Toen draaide het schip naar zee en zeilde naar het oosten. „Wat een raar schip”, zei Shelton nog tegen zijn vrouw. Met zijn verrekijker volgde hij het tot het aan de horizon verdween. Het was 15 april 2013.

Twee weken later zag Shelton op de BBC toevallig een item over een vermist schip uit Nederland. De Warnow was op 15 april met drie opvarenden vertrokken uit het Schotse Stonehaven richting Noorwegen. Vijf anderen uit een vriendengroep van Schiedamse muzikanten, die vanuit Nederland waren meegevaren, waren in Stonehaven van boord gegaan en naar huis gereisd. De Noordzee-oversteek had een dag of drie moeten duren. Maar sindsdien was niets van de Warnow vernomen. Elke tip welkom.

In die dagen regende het spookmeldingen, in Noorwegen en Schotland. Maar Neil Shelton is een nuchtere, geordende man. Hij runt een uitzendbureau voor technisch personeel. Johnshaven ligt een kilometer of tien ten zuiden van Stonehaven. Hij twijfelde geen seconde en belde de kustwacht. Zwarte romp, stuurhuis aan de voorkant, een kraan als mast en een oud zeil met een gaffel – „Dit was het schip dat ik hier zag rondcirkelen”, zegt hij.

Sheltons melding voegt aan het dossier feitelijk niet veel toe. Want het schip is twee dagen later opnieuw gesignaleerd. Op 17 april logden twee telefoons die aan boord waren automatisch in op het mobiele netwerk van een Noors gasplatform, toen ze er in vliegende storm langsvoeren. Dat was het laatste contact. De Warnow had toen tweederde van de afstand afgelegd.

Maar Sheltons waarneming is niet zonder betekenis. Want als de Warnow op 15 april bij Johnshaven was, zijn schipper Arnoud Brinkman, zijn vriendin Tirza Smit, en Peter van Liere dus niet rechtstreeks vanuit Stonehaven naar het oosten gevaren, de storm in, die voor een dag later was voorspeld. Dan zijn ze eerst een stuk langs de kust naar het zuiden gevaren. Terug. Wat deden ze daar als ze naar Noorwegen wilden? Twijfelden ze? Maakten ze ruzie? Arnoud zou nu 48 zijn, Tirza 31, Peter 53. Het schip is weg, maar blijft verhalen baren.

Dit zijn de feiten: er is niets en niemand aangespoeld. Het schip is spoorloos verdwenen. Voor de kustwachten is het case closed. Maar voor de achterblijvers al twee jaar niet. Een jaar geleden schreef ik over hoe het hun was vergaan. Het ging over de vraag hoe moeilijk het is te rouwen en de bladzijde om te slaan, zonder zekerheid over wat er is gebeurd, zonder lichamen. Dood maar niet weg.

De nabestaanden van vlucht MH370, op 8 maart 2014 verdwenen, zitten in een soortgelijke situatie gevangen. Een toestand van gestold verdriet die wel ‘het trauma van dubbelzinnig verlies’ wordt genoemd. Ze weten dat er geen hoop is, maar blijven verklaringen bedenken. Het vliegtuig is gekaapt en staat op een eiland in de Stille Oceaan, waar de Amerikanen het verborgen houden. Het is stiekem in Kazachstan geland. MH17 was eigenlijk MH370. De menselijke geest houdt niet van een vacuüm.

De achterblijvers van de Warnow hebben zulke illusies niet meer. De eerste dagen spraken ze zich moed in door te bedenken dat Arnoud en Tirza ergens in een fjord lagen, buiten telefoonbereik. Stel je voor hoe ze zullen lachen als ze horen hoe iedereen zich zorgen heeft gemaakt. De vrienden van Peter, een Middelburgse drummer, hebben hem niet op de Shetland-eilanden gevonden, waar een waarzegster ze heen had gestuurd.

Hoe het nu met de achterblijvers is, weet ik niet goed, omdat de ‘Schiedammers’ het contact begin dit jaar hebben verbroken. „Wij vinden een literaire benadering (…) wenselijker dan een journalistieke”, schreven ze. „Het is een ingewikkeld verhaal en als het uitsluitend feitelijk benaderd wordt is het misschien te kwetsbaar.”

Ik was boos en droevig over de afwijzing. Ik had immers alleen vragen. Je droom najagen op je eigen schip: op zoek naar het noorderlicht, hoewel het seizoen daarvoor al voorbij was, maar het stormseizoen nog niet. Waarom? Ik had verteld dat me een boek over de Warnow voor ogen stond met een portret van Arnoud in het hart. Baritonsaxofonist, lasser, anarchist. Zoon, vader.

Ik vroeg me af hoe concessieloos hij wilde leven, met zijn jonge vriendin en als middelpunt van een groep die hem bewonderde. Een man die langs de grenzen van de burgerlijke samenleving bewoog, maar boos zou zijn geworden als je hem een hippie had genoemd. Hoe kon ik beter begrijpen wat zich in die vriendengroep heeft afgespeeld als ze daar niet zelf meer over wilden vertellen? En wat betekende het verschil tussen journalistiek en literatuur? Wilden ze dat het fictie werd?

Maar na een tijd zag ik ook de logica van hun verlangen. Natuurlijk zoeken de achterblijvers betekenis voorbij de feiten. Zijn Arnoud, Tirza en Peter na die laatste avond in Stonehaven en het afscheid domweg die storm ingevaren? Het is onverteerbaar dat dat alles zou zijn. Is het denkbaar dat hun dood toch zin heeft gehad? Dat het op de een of andere manier de voltooiing is geweest van het kunstwerk dat hun leven was. En dat een andere pen de plot, de schoonheid ervan, aan het licht zou kunnen brengen?

Ik moest denken aan de kunstenaar Bas Jan Ader, die in 1975 vanuit Cape Cod aan een Atlantische oversteek begon in een piepklein zeilbootje. Het was onderdeel van zijn kunstproject In search of the Miraculous. Niemand heeft ooit meer iets van hem gehoord en zijn bootje werd maanden later gekapseisd teruggevonden. Roekeloos, dat moest wel fout gaan, zeiden velen. Anderen geloofden dat hij zijn verdwijning in scène had gezet. Maar dat is te gemakkelijk gedacht. Loslaten, je uitleveren aan de zwaartekracht, was de kern van Aders kleine oeuvre van films en performances. Niet dat hij wilde vergaan, maar in zijn bootje zette hij de zaken wel existentieel op scherp.

Platte verklaringen genoeg voor het verdwijnen van de Warnow, een schip dat niet voor de Noordzee was ontworpen. Een roerbreuk, een lek, een stuurfout? Een reuzengolf? Met het lage vrijboord moet het schip sowieso meer onder dan boven water gevaren hebben in die storm. Waren ze desperado’s? Hadden ze een doodswens? In vrijwel elke conversatie met degenen die de Warnow op die laatste reis hebben gezien, duiken zulke vragen op. Quasi-achteloos, maar niet minder dwingend. „Weet je wel zeker dat ze gevonden wilden worden?” zegt Jim Brown, havenmeester van Stonehaven.

Onaangekondigd lag de Warnow in zijn haven. Hij gaf ze een betere ligplaats, aan de binnenkant van de golfbreker, en hij gaf ze de sleutel van de toiletten. „Het was geen slecht weer toen ze vertrokken”, zegt hij. „Maar de dag erna zou een diep front binnentrekken. Met windkracht negen of zelfs tien, en dat is andere koek. Ik heb gezegd: wat is je excuus om niet even te wachten? Maar de schipper was vastbesloten. De volgende ochtend zaten de vijf afstappers met hun hond op de kademuur. De Warnow was vertrokken.”

Het is na twee jaar misschien de intrigerendste vraag. Was het alleen stijfkoppigheid of was er iets anders wat Arnoud dreef? Ik moet opnieuw denken aan wat een van de achterblijvers me vorig jaar vertelde: „Hij wist dat hij zo zou eindigen, alleen dacht hij dat hij dan oud zou zijn.”

Niet ver van Johnshaven kijk ik de volgende dag over zee. Wind waait langs de rode klifkust naar beneden en maakt grillige patronen op het water. Het is heiïg. Er staat een bord met afbeeldingen van zeezoogdieren die hier soms te zien zijn: de Minke-walvis en een hele rits dolfijnen. Als ik weer naar zee kijk, zie ik een schip varen in de nevel. Het heeft het stuurhuis vooraan en een zwarte romp, en werkt zich door de stroming naar het zuiden. Ik zie meteen dat het een sleepboot is.

Maar zo werkt het brein niet.