De Togacolumn: Hoe word je een echt goede advocaat

Goede juridische kennis, de beroepsregels gehoorzamen, de vijf kernwaarden van de advocatuur kennen, inventief zijn, maar vooral: creatief zijn, ook buiten het recht. De Togacolumn, deze week door Britta Böhler, hoogleraar advocatuur aan de Universiteit van Amsterdam.

“Hoe word ik nou een echt goede advocaat?” Deze vraag wordt telkens weer aan mij gesteld, door rechtenstudenten en door beginnende advocaten. En ik geef telkens hetzelfde antwoord.

Uiteraard is adequate juridische kennis conditio sine qua non,  of anders gezegd, een goede advocaat doet geen zaken waar hij/zij geen verstand van heeft. Daarnaast houdt de goede advocaat zich aan de beroepsregels . En hij weet dat er vijf kernwaarden zijn die gezamenlijk de basis vormen voor de beroepsuitoefening: onafhankelijkheid, partijdigheid, vertrouwelijkheid, integriteit en de al genoemde deskundigheid.

Maar dan zijn we er wat mij betreft nog niet.

Want een ‘echt’ goede advocaat heeft voorts nog een aanvullende eigenschap nodig: creativiteit. Hiermee bedoel ik niet alleen dat de advocaat inventieve oplossingen voor het juridische probleem van zijn cliënt kan bedenken en dat hij tevens een bijdrage kan leveren aan nieuwe ontwikkelingen in het recht.

Ik bedoel hiermee met name dat de advocaat over een breed palet aan algemene kennis beschikt, kennis die verder gaat dan zijn juridische expertise en dat hij vervolgens in staat is deze kennis toe te passen op een juridisch probleem.

Laat ik ter illustratie een voorbeeld noemen.

Een collega van mij had een keer een ingewikkelde strafzaak die betrekking had op de genocide in Rwanda. De strafzaak speelde geruime tijd na de gebeurtenissen daar en inmiddels was er al veel over geschreven, door historici en opiniemakers. Iedereen wist wel wat zich in Rwanda had afgespeeld, of dacht in ieder geval dat hij het wist. Ook de rechters. Met andere woorden, de rechters hadden zich op basis van de beschikbare informatie al een beeld gevormd over de historische feiten voordat de zaak was begonnen.

Dit was onvoldoende voor een wrakingsverzoek, de rechters waren immers niet partijdig, maar toch had de advocaat de indruk dat de rechters door hun ‘voor-informatie’ niet meer in staat waren de zaak van zijn cliënt adequaat te beoordelen.

Maar hoe maak je dat duidelijk?

De advocaat liet een kort filmpje zien van de Amerikaanse schrijfster en essayiste Siri Hustvedt :

 

In dit filmpje geeft Hustvedt haar visie op het kijken naar kunst. Volgens haar moet een kunstwerk zo onbevangen en ‘naakt’ mogelijk worden benaderd, je moet er dus met een open blik naar kijken, zonder vooroordelen. Maar bij sommige, heel bekende kunstwerken - bijvoorbeeld de Mona Lisa – weten we al zo veel over dat kunstwerk dat een onbevangen blik vrijwel onmogelijk is. En dat betekent, aldus Hustvedt,  dat we het schilderij eigenlijk helemaal niet meer kunnen zien. Wat we zien is niet het schilderij maar alle informatie die we in het verleden erover hebben vergaard. Onze reeds verworven kennis kleurt dus onze kijk op het kunstwerk.

En hetzelfde, zo betoogde de advocaat, was er ook in deze strafzaak aan de hand. De rechters hadden al zo veel informatie over de genocide tot hun beschikking dat een open en onbevangen blik op deze specifieke zaak eigenlijk niet meer mogelijk was.

Volgens mij heeft dit betoog wel indruk gemaakt en hebben de rechters begrepen waar het de advocaat om ging. Deze advocaat heeft dus laten zien dat hij meer in huis heeft dan gedegen juridische kennis. En dat is precies wat je nodig hebt om een echt goede advocaat te zijn.

Britta Böhler is advocaat en hoogleraar advocatuur aan de Universiteit van Amsterdam. De Togacolumn wordt afwisselend geschreven door een advocaat, een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie en een rechter. Volgende week Miranda de Meijer, advocaat-generaal bij het ressortsparket in Den Haag.