Wiersma zingt gekke liedjes

„Mag ik even vragen”, begint Dorine Wiersma haar vierde cabaretsolo. „Wie van u heeft familie?” Ze gaat het over haar eigen familieleden hebben – al of niet fictief – en vindt daarin een mooie kapstok voor groteske verhalen en veel gekke liedjes. Elk familielid krijgt een eigen stem, een eigen toonzetting en een eigen muzikale sfeer, van flamenco tot rap tot ballad. Het is een bont assortiment dat ze aan het woord laat, in vormvaste vertelteksten met een slimme woordkeus, geestige wendingen en een hoge mate aan muzikaliteit.

Daar zitten potentiële klassiekers tussen als een languissant lied van een doorrookte Bloemendaalse die „graag nog eens een keer met zo’n lekkere neger” zou willen, en een niet eerder vertoond stuntnummer waarin ze op een Drs P.-achtig ritme een goocheltruc beschrijft en tegelijkertijd uitvoert.

Ietwat sleets raakt die liedje-praatje-vorm op den duur wel. Maar dan maakt Dorine Wiersma een tournure. Eerst begint ze het Assepoester-verhaal te vertellen in de indotongval van Tante Lien, wat nog volop om te lachen is, maar daarna verandert ze van toon. Om de rest van het programma te wijden aan het Indische verleden van haar voorouders – een respectabel relaas waarin de ironie plaats moet maken voor volle ernst.

Helemaal in balans is D&A niet, al staat daar een rijk assortiment aan verrassend repertoire tegenover.