Rechten óf veiligheid? Dat is een valse keuze

Minderheden zijn als eerste de klos als rechten onder druk staan, zegt vertrekkend grondrechtenhoeder EU.

Als je met Morten Kjaerum praat over ‘jihadi’s die naar Syrië gaan’, corrigeert hij je meteen. „We moeten uitkijken dat we niet generaliseren. Niet alle Syriëgangers zijn jihadi’s. Er zijn hulpverleners die gaan, mensen die er familie hebben. En ook niet-moslims vechten in Syrië.”

Onlangs vertrok Kjaerum als directeur van het Europees Agentschap voor de Grondrechten in Wenen. Zeven jaar lang deed de Deense jurist waarvoor hij was aangesteld: beleidsmakers en politici wijzen op de rechten van Europese burgers (zie inzet). Hij deed dat diplomatiek, maar gedecideerd. Nu Europa in de ban raakt van de angst en maatregelen neemt om aanslagen zoals in Parijs en Kopenhagen te voorkomen, tikt Kjaerum hen steeds vaker op de vingers omdat ze juridische grenzen overschrijden. Hij wordt nu directeur van het Zweedse Raoul Wallenberg-instituut voor Mensenrechten.

Staan de rechten van Europese burgers onder druk?

„Ja. Gelukkig is het goede nieuws dat veel mensen dit in de gaten hebben. Maar we moeten oppassen. Angst is een slechte raadgever. Eerst kwam de crisis, nu zijn er terreuraanslagen in Europa en militaire conflicten in de buurt. Mensen worden bang, trekken de luiken dicht. De samenleving verruwt.

„Minderheden krijgen, zoals altijd, als eerste klappen. We hebben de afgelopen jaren onderzoek gedaan naar Joden, Roma en homo’s. Zij voelen zich in Europa steeds onveiliger. Dat is een indicatie dat er iets flink misgaat. Laatst was ik in Hongarije. Mensen hebben recht op onderwijs. Maar van Europees geld om scholen voor Roma te bouwen, worden geen scholen voor Roma gebouwd. En iemand zei tegen me: ‘Zie je dat donkere kind? Met zo’n huidskleur heeft het in dit land geen toekomst.’ Dat is schokkend: Europa anno 2015.”

U zegt: wat Roma overkomt, overkomt anderen ook?

„Veel immigranten, maar ook anderen, verliezen hun vertrouwen in de politie en andere instellingen. Ze worden lastiggevallen op straat en melden dat niet eens meer, omdat ze denken dat er toch niets gebeurt. Velen voelen zich buitengesloten. Dat is een voedingsbodem voor extremisme en terrorisme. Aanslagen worden vaak voorkomen doordat familieleden of bekenden de politie waarschuwen. Als ze de politie niet vertrouwen omdat zij er op straat altijd uit worden gepikt voor paspoortcontroles of onbeschoft worden behandeld, krijgen we die tips ook niet meer.”

Moeten overheden daarom selectief met persoonsgegevens omgaan?

„Dat is één van de redenen. Het Europese Hof in Luxemburg heeft in 2014 een EU-richtlijn voor de opslag van telefoon- en internetdata vernietigd. Het Europees Parlement houdt al jaren een voorstel tegen voor de opslag van passagiersgegevens, onder meer omdat daarmee ‘profielen’ van terreurverdachten worden gebouwd – Arabische naam, geen varkensvlees, enzovoort. Als je matcht met zo’n profiel, heb je geen verweer. Profilering leidt tot discriminatie. Als je niet steeds de verkeerden wilt pakken, moet je veiligheidskleppen inbouwen.”

Veiligheidsdiensten klagen dat ze alleen mogen afluisteren en data mogen verzamelen als ze hard bewijs hebben.

„Nou, dat valt wel mee. Als veiligheidsdiensten écht iemand willen volgen, komen ze meestal een heel eind. Zij doen alsof we moeten kiezen: veiligheid óf mensenrechten. Maar het is geen keus. Je moet rechten in antiterreurmaatregelen inbouwen.”

Wilt u een ‘softere’ aanpak, meer preventie?

„Het gaat niet om hard of zacht. Het moet slimmer. Ons probleem is dat we geen duidelijke definitie hebben van wat er mis is. Waarom radicaliseren mensen? Hoe wordt iemand terrorist? Europeanen praten de hele dag op radio en tv over ‘de islam’, terwijl sociale uitsluiting een veel belangrijker voedingsbodem voor terrorisme is. We maken profielen van gevaarlijke moslims. De meesten die voor terrorisme worden opgepakt, zijn moslims. Maar lang niet alle aanslagen worden door moslims gepleegd. Rechts-extremisten zijn zeer actief: denk aan de Breivik-aanslag in Noorwegen, en de nationaal-socialistische NSU in Duitsland, die uit xenofobie buitenlanders heeft vermoord. In plaats van moslims te stigmatiseren die niets met radicalisme van doen hebben, moeten we focussen op die uitsluiting.”

Noem eens een voorbeeld van ‘beter focussen’?

„De ‘terugkerende jihadi’s’. Iedereen praat erover. Maar laatst sprak ik wéér een vader die zijn zoon uit Syrië had gehaald. Die man vertelde dat veel knapen daar – 17, 18, 19 jaar – het vreselijk vinden en naar huis willen. Maar ze durven niet. Ze hebben gehoord dat ze in Europa keihard worden aangepakt. Ze denken dat ze de gevangenis in gaan en slecht worden behandeld. Wat doen we met die jongens? Helpt het als we hard straffen, of moeten we ons richten op herintegratie in de maatschappij?”

U bedoelt …?

„We zijn allemaal 18 of 19 geweest. En onbezonnen. Repressie moet niet het enige antwoord zijn. Daarbij: jonge Europeanen vechten ook in Oekraïne. Om allerlei redenen. Dit zijn meestal geen moslims. De wortels van het probleem liggen elders. De hamvraag is: waarom willen jonge Europeanen vechten? Lees het fascinerende boek Thinking Like a Terrorist van Michael German, voormalig undercoveragent van de FBI. Terroristen, schrijft hij, hebben hetzelfde soort wereldbeeld, tot welke groep ze ook horen: ze hebben het gevoel dat de samenleving zich tegen hen keert.”

Zoals de terrorist in Kopenhagen.

„Interessant geval. Hij was crimineel, gewelddadig, bekend bij de politie. Door hem als jihadi te behandelen geven we hem status. Hij wou martelaar zijn. Wij hebben dat bevestigd.”

Moeten we zo iemand als crimineel behandelen?

„Mijn punt is dat deze man tot een groep wilde horen met een eigen identiteit. Wij geven hem zijn zin en maken die identiteit sterker.”

Maken wij dezelfde fout als de Amerikanen in 2001: overreactie?

„Na 9/11 hebben veel Europese regeringen de VS slaafs gevolgd. Denk aan de CIA-vluchten, marteling, mensen die op zwarte lijsten belandden. We hielpen mee en boden weinig tegenwicht. Sommige dingen dreigen zich nu in Europa te herhalen. Daarom pleiten wij bijvoorbeeld voor democratische controle op veiligheidsdiensten. Natuurlijk moet bepaalde informatie vertrouwelijk zijn. Maar we leven in rechtsstaten. Er moet controle zijn op veiligheidsdiensten. Een parlementaire commissie moet, vertrouwelijk desnoods, kunnen checken of de overheid antiterrorismewetten niet misbruikt om milieugroepen te schaduwen. Of de oppositie.”

Gebeurt dat?

„Ja. Sommige regeringen willen graag weten waar ngo’s of de oppositie demonstraties of blokkades organiseren.”

Welke?

„Dat ga ik hier niet zeggen.”

Snoeren regeringen u de mond?

„Nee, maar in sommige landen liggen bepaalde onderwerpen gevoelig. Meer dan vroeger.”

Hoe kunt u dan functioneren?

„O, er zijn genoeg manieren. Beleefd blijven, niet persoonlijk worden, boven de partijen staan en inhoudelijk en professioneel blijven. Wij doen surveys in veel landen tegelijk, dus we gaan niet in één land wroeten. Die onderzoeken bieden een schat aan informatie over minderheden, over de politie, over van alles waar niemand omheen kan. Het gaat om de wet. Iedereen in Europa moet die respecteren. In alle lidstaten monitoren we dat. Hoe meer respect het agentschap heeft, hoe meer het bereikt.”