Oorlog in de wijk

Op nummer 69 was de melkwinkel. Op 86, een hoekhuis, woonde een NSB’er, Krul. Op 94 woonde Dora Uitermark met haar ouders, drie broers en een zus. Beneden achter de poort slachtte haar vader illegaal vee en er stonden paarden. Het hele huis stonk naar rottend vlees.

Afgelopen week verscheen Aan de Maliebaan van Ad van Liempt over de oude Utrechtse avenue waaraan de NSB, de SS en de Sicherheitspolizei zetelden, naast verzetsgroepen en de vicevoorzitter van de Joodse Raad. Het speelveld van de oorlog in Nederland ondergebracht in twee rijen onverschillige huizen.

Achter de Maliebaan ligt Oudwijk, daar woon ik. In oorlogstijd een arbeiders- en middenstandswijk, nu wonen er tweeverdieners met gemiddeld twee kleine kinderen.

Dora, Marie Terpstra en Henk Pot lopen er nog rond. Zij kunnen door de huizen heen kijken en achter een hip groen geverfd kozijn ineens halve Dirk zien staan, de sigarettenverkoper zonder benen. Of de manke vrouw van nummer 5.

Dora, geboren in 1938, heeft de winkeltjes wel eens geteld in haar hoofd: 52, de vele strijksters niet meegerekend. Rie Mussert, die even verderop aan de chique Nassaulaan woonde, deed haar boodschappen bij bakker De Jager en de groenteboer ernaast. Anton Mussert liep dagelijks met de handen op zijn rug door de wijk naar zijn werk aan de Maliebaan. „Niet onaardig was hij”, zegt Dora.

Henk Pot woonde om de hoek op nummer 11, met zestien broers en zussen in een huisje. „Het was een verschrikkelijk katholieke wijk”, zegt Dora. Haar vader zei altijd: „Door fijne regen en door fijne mensen word je altijd belazerd.” De fijne mensen woonden in het Wilhelminapark en aan de Maliebaan – Oudwijk ligt daar tussenin.

Haar vader handelde in paarden, honden, schapen en konijnen. Een sjacheraar. Met zijn Victoria-koets vervoerde hij Duitsers. Met zijn paardenwagen bracht hij eten uit de Duitse officierskeuken rond en kwam met een ‘prak’ thuis. In diezelfde wagen reed hij groenten en appels uit Culemborg met daartussenin een kalf verstopt. Dat werd op de tweede verdieping tussen de kinderbedden ontleed.

Dora bracht het vlees rond bij mensen in de buurt die hun mond konden houden – het bloed droop uit haar poppenwagen. Haar moeder bracht vlees naar stille politiemannen op bureau Paardenveld. „Ik kom de was van je vrouw brengen”, zei ze dan. In ruil kreeg ze informatie over de volgende razzia. Voor de mensen met onderduikers, vraag ik. „Voor de illegale slachterij”, zegt ze. „Iedereen profiteerde daarvan.” Ze liepen altijd met een boogje om de NSB’ers heen en de twee moffenhoeren die in de Braamstraat woonden.

Met de kinderen uit de buurt ging Dora kijken naar de parades op de Maliebaan. „Die discipline”, zegt ze. „Indrukwekkend. Die zag je in Nederland nooit.” Een gesteven strik in haar haar, ze zoekt zichzelf op de foto’s die Ad van Liempt van de Maliebaan verzamelde.

Ze was ook getuige van de executie van tien verzetsmannen in de Nassaulaan, twee dagen na de bevrijding. „De lichamen werden op brancards naar een autogarage bij ons in de straat gebracht.” Tegenover het voormalige huis van Mussert ligt tussen de paardenbloemen het gedenkteken. Ze hielp mee het huis van Mussert leeg te halen – in de linnenkast hebben nog lang de tafelkleden van het echtpaar gelegen. ’s Middags tekende ze met krijt op de muur van Tante Bakker, de verzetsvrouw op de hoek.

Dora ziet nog opa Meering in het voorjaar met een pilsje voor de deur zitten. Het is weer voorjaar. „Nu zitten de bewoners er met witte wijn.”