NPO online: minder, minder, minder

De publieke omroep snijdt in het aantal websites. De omroepen zijn boos. Hoe moeten ze jongeren bereiken?

Minder websites, minder themakanalen, minder apps. En meer ruzie. Dat is het debat over de digitale activiteiten van de publieke omroepen. Vorige week maakte de NPO, de centrale leiding in Hilversum, zijn plan met internet bekend. Dat moet vooral minder. En alle video moet via één portal: NPO.nl.

De omroepen zijn boos, blijkt uit een rondgang. Zij voelen zich beknot, zij willen fragmenten delen op Facebook, websites maken met hun eigen programma’s, en hekelen de machtsgreep van de NPO. Vandaag zou de NPO-top bij elkaar komen om definitieve besluiten te nemen.

De discussie raakt de toekomst van de publieke omroep. Het gaat over de kijkers van de toekomst, die vaker ‘on demand’ en geknipt in fragmenten programma’s willen zien. Op NPO.nl én op YouTube en Facebook. En het debat gaat over de verhoudingen in Hilversum. De omroepen tegenover de NPO. Wie heeft er nu gelijk?

Tegen

De NPO-plannen zijn gericht op centralisatie. De NPO wil één sterk merk bouwen, om herkenbaar en vindbaar te zijn, in de strijd met Netflix, YouTube en andere grote partijen. En dat is het verkeerde uitgangspunt voor internet. Dit is gedacht vanuit kijkcijfers, general interest. Dat is achterhaald; algemene publicaties hebben het moeilijk. Kijk naar veel tijdschriften. De NPO tekent zijn eigen digitale doodvonnis.

Het goede van de publieke omroep is juist dat hij een enorme variëteit aan special interest sites biedt, bij uitstek geschikt om al die doelgroepjes te bedienen. De publieke omroep zou een optelsom van al die niches moeten zijn. Versnippering hoort bij internet. De toekomst is aan video-on-demand, dus je moet de content brengen waar het publiek al is.

Alle bezoekers moeten op drie portals binnenkomen (NPO.nl, NOS.nl en Schooltv.nl). Dat gaat uit van een voorpagina, net als een krant. Maar veel kijkers komen via allerlei andere ingangen (sociale media) diep op de site binnen. Zo haal je de kracht en de veelzijdigheid weg.

Online moet je juist decentraliseren, anders kun je geen mensen aan je binden. Het biedt mogelijkheden om de publieke omroep te verankeren in de maatschappij, anders dan met het onder jongeren weinig populaire lidmaatschap.

Programma’s en websites die niet scoren worden sneller gestaakt. Dat leidt tot een programmering zonder risico’s. De flanken van de smaak, de niches, die de publieke omroep wel bedient, maar de commerciëlen niet, worden nu vergeten.

Voor

Nederland heeft een uniek pluriform stelsel van publieke omroepen, en dat levert ook wat op: veel creatieve, kwalitatieve programma’s voor een lage prijs. Maar het betekent ook versnippering. Er zijn te veel websites die dubbel werk doen, ook technisch gezien, die door bijna niemand worden bezocht. Minimaal honderdduizend bezoekers per maand is laag voor een omroep. Het is niet zo’n gek idee dat daar wat meer ordening in komt.

Internet is helemaal geen synoniem voor versnippering, Google heeft toch ook maar één merk? Internet is vooral groot, je moet als publieke omroep dus herkenbaar en vindbaar zijn. Dat kan door één sterk merk te maken, NPO, dat hoog staat in het clicklijstje van gebruikers. Je moet minder titels meer impact geven. Dus concentreer je de aandacht rond bepaalde grote programma’s. Liever een website van Andere Tijden (bekend merk) met meer informatie over geschiedenis, dan de thematische portal NPOgeschiedenis.nl (onbekend merk).

De plannen van de NPO zijn ook geheel in lijn met wat andere Europese omroepen willen. Zo blijkt uit het rapport Vision2020 van de EBU, de Europese omroepenkoepel. Ook daarin gaat het over „fewer, bigger, better”. In ieder land bestaat de overtuiging dat de publieke omroep niet te dominant moet worden op internet, dan verstikt hij de markt. Er moet controle zijn: bij iedere nieuwe activiteit moet je de publieke waarde ervan aantonen.