Invechten op arbeidsmarkt? Graag

Premier Rutte kreeg kritiek op zijn uitspraak dat allochtonen zich moeten invechten. In Amsterdam-West doen ze gewoon wat hij zei.

Mihaela Filip: „Overal op de wereld is discriminatie, daar laat ik me niet door tegenhouden.” Foto Olivier Middendorp

De oplossing voor discriminatie ligt bij allochtonen zelf, zei premier Mark Rutte: ze moeten zich invechten. En Mihaela Filip (24) uit Roemenië wil dat maar al te graag – op de afdeling lingerie van de Bijenkorf.

Als haar oefensollicitatiegesprek in Amsterdam-West begint, struikelt ze een paar keer over haar woorden. Maar dan herstelt ze zich. Ze stelt zich vrolijk voor en vertelt waarom ze geschikt is voor de baan: „Ik houd van mode, kan goed met mensen omgaan en ik ben flexibel.”

„Aangenomen!” oordeelt haar ‘baas’, de Bulgaarse Emilia Milkova (44) meteen. Nadat ze het nog even over de reiskosten hebben gehad, nemen de vrouwen netjes afscheid van elkaar. Zo doe je dat dus, zegt cursusleider Anja Kriek. Filip en Milkova volgen vandaag met tien andere allochtonen bij haar de cursus ‘taal en oriëntatie op werk’ (TOW) in Amsterdam-West.

In maart zei Rutte dat het in Nederland nog veel uitmaakt of je Mohammed of Jan heet als je solliciteert. Nieuwkomers moeten zich volgens hem „aanpassen” en „invechten”. En sinds die uitspraak is minister Lodewijk Asscher (Sociale Zaken, PvdA) druk met het corrigeren van het beeld dat Rutte schiep; namelijk dat de overheid geen rol zou hebben bij het bestrijden van discriminatie.

Morgen gaat Asscher er weer over in debat met de Tweede Kamer, dit keer ook nog eens specifiek over arbeidsmarktdiscriminatie. En vorige week donderdag zei Asscher over het invechten van Rutte: „Daarbij kon je het gevoel krijgen: zoek het zelf maar uit. Ik heb daarna meteen duidelijk gemaakt dat de overheid wél een verantwoordelijkheid heeft om discriminatie te bestrijden.”

Maar Rutte heeft gelijk, zegt directeur Souad Salama van de Stichting Interculturele Participatie en Integratie, die de cursus TOW aanbiedt. Natuurlijk wordt er gediscrimineerd, zegt zij. „Rutte kan daar inderdaad heel weinig aan doen. Hij kan werkgevers aanspreken, maar die maken uiteindelijk toch zelf een keuze. Het is aan jezelf wat je met discriminatie doet. In de slachtofferrol kruipen, of zoeken naar kansen. Die zijn er in Nederland genoeg.”

Salama richtte haar stichting op in 2005, na de moord op Theo van Gogh. Ze wilde een bijdrage leveren aan de participatie van de Marokkaanse gemeenschap in Nederland. Nu volgen er bij SIPI ongeveer duizend mensen les, afkomstig uit zeker twintig landen.

Ondertussen is het klaslokaal omgebouwd tot een kantoor: tafels aan de kant geschoven, twee stoelen in het midden. De cursisten houden hun sollicitatiegesprek voor de rest van de groep. „Voor een salaris van negen euro bruto per maand mag je hier komen werken”, vertelt een bazin haar sollicitant. De klas barst in lachen uit. Kriek, die het spektakel filmt zodat ze later feedback kan geven, grijpt hier in. „Negen euro per maand is wel erg weinig. En spreek elkaar met u aan!”

De stichting krijgt per cursist 1.638 euro van de gemeente Amsterdam. Voor de cursisten is deelname gratis, maar ze moeten er wel wat voor doen. Naast hun lessen doen ze vier uur per week vrijwilligerswerk op een ‘taaloefenplek’.

Emilia Milkova werkt op maandag in de thuiszorg: ze kookt voor ouderen. „Ik kom met mensen in contact en leer zo beter Nederlands spreken.” Anderen geven schilder- of computerles. En ze houden een dossier bij dat ze na zes maanden, als de cursus afloopt, presenteren aan de gemeente.

Van discriminatie trekken de cursisten zich niets aan. Ze willen allemaal dolgraag aan het werk en beter Nederlands leren. Filip: „Overal op de wereld is discriminatie, daar laat ik me niet door tegenhouden.” Bij dit onderwerp trekt ook de Bulgaar Myumunen Hasan (38) zijn mond open. Hij gaat een stap verder: „Nederlanders kunnen zich ook door ons gediscrimineerd voelen. Bulgaren doen in sommige sectoren hetzelfde werk voor minder geld, dan maakt een Nederlander weinig kans.”